Toch OCMW-steun voor vreemdelingen met arbeidskaart

Het Grondwettelijk Hof heeft artikel 57sexies van de OCMW-wet vernietigd. Die bepaling stelt dat maatschappelijke dienstverlening niet verschuldigd is aan vreemdelingen die hier verblijven op basis van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet (buitengewone omstandigheden en identiteitsdocument), omwille van een arbeidskaart B of een beroepskaart.

De verzoekende partijen wijzen erop dat hier sprake is van een achteruitgang in de sociale rechten van een categorie van vreemdelingen, die niet kan worden verantwoord door een doel van algemeen belang. Ze wijzen onder andere op een schending van artikel 23 van de Grondwet dat bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden.

Het Grondwettelijk Hof volgt die redenering. Door een categorie van vreemdelingen die legaal op het grondgebied verblijven uit te sluiten van het recht op maatschappelijke dienstverlening, vermindert het bestreden artikel aanzienlijk het beschermingsniveau. Om bestaanbaar te zijn met artikel 23 van de Grondwet, moet die aanzienlijke vermindering worden verantwoord door redenen van algemeen belang, zo klinkt het.

De bestreden bepaling werd in 2013 ingevoegd door een programmawet om sociale fraude en fraude inzake toegang tot het verblijfsrecht te bestrijden. Maar de toekenning van een machtiging tot verblijf wegens het bezit van een arbeidskaart B of van een beroepskaart is tijdelijk, zeer strikt geregeld en onlosmakelijk verbonden met de uitoefening van een beroepsactiviteit, waarbij erop wordt toegezien dat de betrokkenen over voldoende middelen beschikken voor de beperkte duur van hun verblijf in België. De grote meerderheid van die vreemdelingen zullen doorgaans niet beantwoorden aan de voorwaarden die het recht op maatschappelijke dienstverlening openen.

Bovendien verwijst het hof naar het sociaal onderzoek dat het OCMW voert. Het OCMW heeft voldoende argumenten om, geval per geval, het recht op maatschappelijke dienstverlening te weigeren aan iemand die tracht misbruik te maken van het systeem. Bovendien kan fraude inzake toegang tot het verblijfsrecht ook worden voorkomen door de intrekking van de machtiging tot verblijf.

Het is dus mogelijk om een einde te maken aan het tijdelijk verblijf van een vreemdeling die ten onrechte de uitoefening van een beroepsactiviteit zou hebben aangevoerd om zijn machtiging te verkrijgen om op het grondgebied te verblijven of die niet meer aan de aan zijn verblijf gestelde voorwaarden zou voldoen.

Het Grondwettelijk Hof besluit dat het dus niet te verantwoorden is dat een abstract gedefinieerde categorie van vreemdelingen die legaal op het grondgebied verblijven, wordt uitgesloten van het recht om een beroep te doen op maatschappelijke dienstverlening in geval van een door het OCMW gecontroleerde situatie van behoeftigheid, en bijgevolg wordt uitgesloten van het recht om een menswaardig leven te leiden.

Met andere worden: de bestreden bepaling is onevenredig ten opzichte van de nagestreefde doelstellingen. De aanzienlijke achteruitgang waarvan sprake, kan niet door enige reden van algemeen belang worden verantwoord.

Tot slot kunnen we er op wijzen dat het Grondwettelijk Hof zich eerder al gebogen had over het probleem. Het hof heeft artikel 20 van de programmawet van 28 juni 2013 (waarbij een artikel 57sexies werd ingevoegd) vernietigd, in zoverre het het OCMW toestaat dringende medische hulp te weigeren aan de vreemdelingen die gemachtigd zijn tot een beperkt verblijf (op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet) wegens een arbeidskaart B of een beroepskaart.

Bron: 18 mei 2017 - Arrest nr. 61/2017 (uittreksel), BS 13 juli 2017