Brussel verfijnt eigen dienstenchequestelsel

Bij de uitvoering van de zesde staatshervorming werd het stelsel van de dienstencheques geregionaliseerd. Dankzij die overdracht kon de Brusselse regering eerder al stappen zetten om de nieuwe bevoegdheid uit te oefenen. Denk aan de naleving van de uitbreiding van de doelgroep van de 60%-regel, het indexeringsmechanisme aan 100%, de verkorting van de betalingstermijnen en de uitbreiding van het 'opleidingsfonds dienstencheques'.

Uitgangspunt is dat het gewest de overgehevelde bevoegdheden uitoefent volgens de bestaande procedures tot ze worden gewijzigd of opgeheven. En de verandering van de uitvoerende macht vloeit automatisch voort uit de bevoegdheidsoverdracht. De machtigingen waarin de federale regels voorzien, zijn dus machtigingen aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering geworden.

Toch moet een en ander nog worden bijgestuurd, na de effectieve uitoefening van de bevoegdheid sinds meer dan een jaar. De wijzigingen aan de federale regels die men nu doorvoert, zijn niet 'revolutionair'. Maar uit de toelichting bij de tekst blijkt dat ze er wel voor moeten zorgen dat de dienstencheques kunnen evolueren 'in functie van de gewestelijke specificiteiten'. Want het is te vroeg en zelfs gevaarlijk om de sector ingrijpend te wijzigen, terwijl hij deze regionalisering al heeft moeten doorstaan, zo klinkt het. Brusselse ondernemingen moeten in de praktijk soms drie dienstenchequesystemen, die hier en daar kleine verschillen vertonen, kennen en kunnen beheren.

We kunnen de wijzigingen als volgt samenvatten (op basis van de toelichting):

de ?gewestelijke dimensie? die de tekst krijgt;

de mogelijkheid tot vrijstelling (of afschaffing), voor ondernemingen die al een borgsom gesteld hebben in een ander gewest, van de verplichting tot een borgsom;

de overdraagbaarheid van de erkenning van een erkend dienstenchequebedrijf aan een andere onderneming;

de omschrijving van het doelpubliek van de 60%-regel wordt aangepast;

de minimale inhoud van het evaluatieverslag wordt aangepast en de voorstellingsdatum wordt verschoven;

de administratieve sancties in geval van fraude in de aanvragen voor de gedeeltelijke terugbetaling van de opleidingskosten;

de rationalisering van de terugvorderingsprocedures van de administratieve boetes inzake de terugvordering (gerationaliseerde procedure);

de indiening van de beroepsprocedures (uitsluitend) bij de Arbeidsrechtbank van Brussel.

Zo staat in de nieuwe ordonnantie dat de Brusselse regering het bedrag, de voorwaarden en de nadere regels met betrekking tot de storting en de bestemming van de borgsom bepaalt, en wat er met deze borgsom gebeurt in geval van een faillissement. Zij kan deze borgsom ook schrappen of aanpassen al naargelang de onderneming erkend is, of een erkenning heeft aangevraagd, in één gewest of in meerdere gewesten.
Om te voorzien in het eventuele sluiten van samenwerkingsovereenkomsten tussen de gewesten, voorziet de nieuwe tekst in de wederkerigheid van erkenningen (onderling overdraagbaar tussen gewesten). Voor een bedrijf dat al erkend is in een ander gewest kan de regering voorzien in een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de borgsomverplichting wanneer het bedrijf een erkenning aanvraagt volgens een vereenvoudigde procedure.

Zoals aangegeven, bestaat nu de mogelijkheid om een boete op te leggen waarvan de omvang aansluit bij wat bepaald is voor het betaalde educatieve verlof. Denk bijvoorbeeld aan terugbetalingsaanvragen die in meerdere gewesten worden ingediend voor dezelfde werknemers en dezelfde opleidingen. Het gaat om administratieve sancties bij fraude in het kader van de terugbetalingsaanvragen.

De ordonnantie van 13 juli 2017 treedt in werking op 1 september 2017.

Bron: Ordonnantie van 13 juli 2017 tot wijziging van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, BS 18 juli 2017