Organisatie rechterlijke orde (art. 219 - 292 Potpourri V)

Een van de grootste brokken van de recentste Potpourri-wet is het onderdeel ?Rechterlijke organisatie?. Met een pak wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek en de wetten op het gebied van rechterlijke organisatie. Nieuwigheden waarvan de meeste intussen al in werking zijn getreden, al dan niet met overgangsbepalingen. Enkele waarvan de deadline op 1 januari 2019 werd vastgeprikt.

Hieronder vindt u een greep uit de lange lijst aanpassingen.

Gerechtelijke stage

De gerechtelijke stage wordt hervormd. Vooraleer een gerechtelijk stagiair(e) een getuigschrift kan bekomen en kan benoemd worden als magistraat van het openbaar ministerie of als magistraat van de zetel zal die àlle stageverplichtingen met vrucht moeten voltooid hebben. Het volstaat dus niet langer om alleen de stage af te werken.

Voortaan wordt ook meer ervaring gevraagd om deel te nemen aan het vergelijkend toelatingsexamen. Waar vroeger èèn jaar volstond, moet men nu 2 jaar ervaring bewijzen. Bedoeling is dat de kandidaten wat meer maturiteit hebben en een ruimere beroepservaring hebben opgebouwd, wat een troef moet zijn voor het ambt van magistraat.

Verder verdwijnt het onderscheid tussen de korte gerechtelijke stage van 18 maanden die leidt naar het openbaar ministerie en de lange gerechtelijke stage van 36 maanden die leidt naar de zetel. Er bestaat alleen nog een gemeenschappelijke gerechtelijke stage. Alle gerechtelijke stagiairs zullen gedurende 24 maanden een gelijkwaardige opleiding genieten.

Bij ontstentenis van een openstaande plaats waarvoor de stagiair in aanmerking komt na afloop van zijn stage, zal de stagiair worden benoemd tot gerechtelijk attaché bij een rechtbank of een parket.

Nieuw is tot slot de strengere aanpak van stagiairs die in de fout gaan. Stagiairs die ontslagen worden wegens zware fout, zullen hun ontslag voortaan meteen zien ingaan. Geen opzeg van 3 maanden meer dus.

Benoemingen en aanwijzingen

Door de invoering van de unieke stage wijzigen ook de benoemingsvoorwaarden voor vrederechters en rechters in de politierechtbank, de aanwijzingsvoorwaarden voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, de benoemingsvoorwaarden voor rechters inde rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel, de aanwijzingsvoorwaarden voor de procureur des Konings en arbeidsauditeur, de benoemingsvoorwaarden voor de substituut-procureur des Konings en de substituut-arbeidsauditeur, de aanwijzingsvoorwaarden voor de eerste voorzitter van het hof van beroep en het arbeidshof, enz.

Maar ook voor leden van het openbaar ministerie wijzigt er veel. Er zal immers geen onderscheid meer zijn tussen de korte gerechtelijke stage die leidt naar het openbaar ministerie en de lange gerechtelijke stage die leidt naar het parket, aangezien voor beide ambten een gemeenschappelijke stage van 24 maanden zal gelden. Daardoor kan niet meer worden verantwoord dat van een lid van het openbaar minister wordt geëist dat hij dat ambt gedurende 5 jaar uitoefent alvorens zich kandidaat te stellen voor de zetel. Al geldt hier wel een overgangsbepaling. De voorwaarde blijft bestaan voor de stagiairs die de gerechtelijke stage van 18 maanden doorlopen of doorgelopen hebben.

Meer zittingen op verplaatsing

De wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen Justitie introduceerde onder meer de mogelijkheid om de procedure van de handhaving van de voorlopige hechtenis om veiligheidsredenen te laten plaatsvinden in de gevangenis.

Voortaan kunnen de raadkamer en de kamer van Inbeschuldigingstelling ook zittingen houden in de gevangenis in het kader van een overleverings-of een uitleveringsprocedure (artikel 16 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de artikelen 3 en 5 van de uitleveringswet van 15 maart 1874).

Zitting op verplaatsing voor jeugd- en familiekamers

De jeugd- en familiekamers mogen voortaan zitting houden buiten de zetel van het hof van beroep. Een oplossing voor heel wat mensen die nu vaak verre verplaatsingen moeten maken.

Bij de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank zijn alle familiale betwistingen (oa. dringende voorlopige maatregelen en onderhoudsuitkeringen) die vroeger door de vrederechters werden behandeld overgedragen aan de familie- en jeugdrechtbank. Dit betekent dat het hoger beroep tegen de vonnissen die in eerste aanleg worden gewezen niet langer door de rechtbank van eerste aanleg op provinciaal niveau worden behandeld, maar door het hof van beroep.

Voor de partijen die in een ander arrondissement of een andere provincie wonen dan de zetel van het hof van beroep (Leuven, Waals-Brabant, Limburg, West-Vlaanderen, Namen, Luxemburg en Eupen) betekent dit extra verplaatsingen. De zittingen op verplaatsing moeten soelaas brengen.

Vrijwillige mobiliteit vredegerecht - politierechtbank

De regels voor de vrijwillige mobiliteit van gerechtspersoneel tussen vredegerechten en politierechtbanken wordt versoepeld. Nu kan een personeelslid van niveau C of D van een vredegerecht of van een politierechtbank met zijn instemming aangewezen worden in een ander kanton van het arrondissement of in een afdeling van de politierechtbank. Die mobiliteit is voortaan mogelijk tussen verschillende vredegerechten en tussen verschillende afdelingen van politierechtbanken waarin het personeelslid niet benoemd is, maar ook tussen een vredegerecht en een politierechtbank of omgekeerd. Dit laat de hoofdgriffier toe om het personeelsbeheer te optimaliseren. De mobiliteitsregeling wordt ook uitgebreid naar personeel van niveaus A en B.

Er wordt een bijzondere regeling voorzien voor Brussel omdat daar geen 'overkoepelende' hoofdgriffier is.

Functies niveau A

Het Gerechtelijk Wetboek wordt aangepast zodat functies van niveau A geclassificeerd kunnen worden conform het KB van 20 december 2007. Op die manier moeten functies die al zijn gewogen in het federaal openbaar ambt niet opnieuw worden gewogen in de rechterlijke orde. Functiebeschrijvingen van de federale functiecartografie kunnen zo ook worden gebruikt in de rechterlijke orde.

Functies niveau B

De functies van niveau B worden voortaan gewogen op vraag van het College van de hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie. Het is dus niet langer op vraag van het College van procureurs-generaal of van de eerste voorzitters van de hoven van beroep en de arbeidshoven dat de minister van Justitie aan de wegingscomités de opdracht geeft om de functies van niveau B te wegen.

Vervanging lid College hoven en rechtbanken

Een lid van het College van hoven en rechtbanken dat afwezig is, verhinderd is of zijn hoedanigheid van magistraat of korpschef is verloren, kan voortaan vervangen worden door een opvolger vermeld in een lijst opgesteld volgens door de Koning bepaalde regels. Nu is dat het KB van 13 juli 2014 tot vaststelling van de nadere egels inzake de verkiezing van de korpschefs zetelend in het College van de hoven en rechtbanken.

Aangezien de opvolgers kandidaten zijn die onvoldoende stemmen hebben behaald, kunnen de definitief verhinderende leden van het College worden vervangen door magistraten van dezelfde rang. Bij gebrek aan een opvolger zal het betrokken lid vervangen worden door de korpschef van hetzelfde type rechtscollege en dezelfde taalrol met het hoogste aantal jaren dienstanciënniteit binnen de zetel.

Plaatsvervangende magistraten

Voortaan kunnen plaatsvervangende magistraten alleen zetelen in de hoven van beroep. Dat was al langer de bedoeling van de wetgever. Maar de mogelijkheid werd destijds niet in de wet ingeschreven.

Bron: Wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 24 juli 2017. (art. 219-292 Potpourri V)