Vermoeden van inbreng beperkt tot giften aan erfgenamen in rechte neerdalende lijn (art. 27 en 29 Wet nieuw erfrecht)

Het wettelijk vermoeden van inbreng van schenkingen en legaten wordt herschreven. Voortaan wordt dat vermoeden beperkt tot giften aan erfgenamen in rechte neerdalende lijn. Tot nu gold het vermoeden voor elke gift aan om het even welke erfgenaam.

Giften aan erfgenamen in rechte neerdalende lijn

Alleen de schenkingen - onder levenden of bij testament - aan erfgenamen in rechte neerdalende lijn worden voortaan vermoed aan inbreng onderhevig te zijn. Men gaat er immers van uit dat dergelijke schenkingen in de meeste gevallen een voorschot op erfenis zijn, namelijk een voorschot op het aandeel dat aan de begunstigde zal toekomen in de nalatenschap van de beschikker.

Dat vermoeden van inbreng kan wel weerlegd worden door de gift te kwalificeren als vooruitmaking. Hierdoor is de gift vrijgesteld van inbreng. De vrijstelling van inbreng moet voortaan 'zeker' zijn. Vroeger werd de term 'uitdrukkelijk' gebruikt.

Terwijl voor legaten aan erfgenamen in rechte neerdalende lijn eenzelfde weerlegbaar vermoeden van inbreng geldt, is dat anders voor algemene legaten en legaten onder algemene titel. Voor dit soort legaten geldt het vermoeden van inbreng niet. Integendeel, zij worden vermoed vrijgesteld te zijn van inbreng. Tenzij op zekere wijze is bepaald dat ze voor inbreng vatbaar zijn. Een algemeen legaat of legaat ten algemene titel wijst immers op een wil om de begunstigde zo ruim mogelijk te bevoordelen, wat op zijn beurt wijst op een wil om de gift vrij te stellen van inbreng.

Schenkingen aan andere erfgenamen

Voor giften bij leven of bij testament aan andere erfgenamen - dus geen erfgenamen in rechte neerdalende lijn - geldt een omgekeerd vermoeden. Deze giften worden vermoed vrijgesteld te zijn van inbreng. Tenzij ze op zekere wijze bestempeld zijn als vatbaar voor inbreng.

Inkorting

Wanneer een gift is vrijgesteld van inbreng, wordt hij aangerekend op het beschikbare gedeelte. Als de gift wel voor inbreng vatbaar is, gebeurt de aanrekening prioritair op het globale voorbehouden erfdeel. Overschrijdt de gift de reserve, dan wordt het overschot op het beschikbare gedeelte aangerekend. Aanrekening gebeurt steeds in chronologische volgorde (oudste schenkingen eerst).

Wanneer een gift het beschikbaar gedeelte overschrijdt, is de gift aan inkorting onderworpen. De erfgenaam moet enkel het deel van de gift dat overblijft na de inkorting inbrengen.

Inwerkingtreding

De wet van 31 juli 2017 treedt in werking op 1 september 2018.

Bron: Wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, BS 1 september 2017 (art. 27 en 29 Wet nieuw erfrecht)

Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 843 en 844)