Inbreng voor derde mogelijk (art. 30 Wet nieuw erfrecht)

Een kind van een schenker kan er zich toe verbinden de schenking aan zijn eigen kind (aan het kleinkind van de schenker dus) in de nalatenschap van de schenker in te brengen. Dat betekent dat het kind van de schenker de schenking aan het kleinkind aanrekent op zijn eigen aandeel.

Deze regel is een afwijking op de algemene regel dat de erfgenaam die uit eigen hoofde tot de nalatenschap komt in principe maar gehouden is tot inbreng van wat hij zelf heeft gekregen van de overledene. En niet van wat zijn vader of moeder heeft gekregen of wat zijn kind of afstammeling heeft gekregen.

De verbintenis tot inbreng voor de derde moet vastgelegd zijn in een overeenkomst. Ofwel in de schenkingsakte zelf, ofwel in een latere overeenkomst tussen het kind van de schenker, de schenker zelf en de begiftigde (het kleinkind van de schenker). Het gaat hier om een toegelaten erfovereenkomst, die moet voldoen aan de vormvereisten die daarop van toepassing zijn.

De goederen die het begiftigd kleinkind heeft ontvangen worden in de nalatenschap van het kind van de schenker (de vader of moeder van het kleinkind) die zich tot inbreng verbonden heeft, behandeld alsof het kleinkind die goederen gekregen heeft van het kind dat zich heeft verbonden tot de inbreng. De inbreng voor het kleinkind wordt dus aanzien als een schenking door de ouder-inbrenger ten behoeve van zijn begiftigd kind. Zodat inbreng zal verschuldigd zijn door het begiftigd kleinkind in het kader van de vereffening en verdeling van de nalatenschap van zijn ouder.

De wet van 31 juli 2017 treedt in werking op 1 september 2018.

Bron: Wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, BS 1 september 2017 (art. 30 Wet nieuw erfrecht)

Zie ook:
Burgerlijk Wetboek (art. 845)