Bijkomende belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten: wijziging berekeningsregels vanaf aj. 2018 (art. 10-11, DFB I)

De Regering past vanaf het aanslagjaar 2018 de berekening aan van de bijkomende vermindering voor belastingplichtigen van wie het inkomen uitsluitend uit pensioenen of vervangingsinkomsten bestaat, of die uitsluitend wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen genieten, en van wie die inkomsten net boven het referentie-inkomen liggen.

De wetgever wijzigde vanaf aanslagjaar 2016 de berekening van de bijkomende vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten om te vermijden dat door de toepassing van de gemeentelijke opcentiemen een verhoging van het pensioen of van de wettelijke ziekte-uitkering zou kunnen leiden tot een lager netto-inkomen na belasting.
De berekening van de bijkomende vermindering volgens artikel 154, § 3/1 van het WIB 1992 bereikt echter het vooropgestelde doel niet. Daarom past de Regering de berekening opnieuw aan.

De nieuwe berekeningsregels gelden vanaf het aanslagjaar 2018.

Aanslagjaren 2016 en 2017

In de berekening zoals die voor de aanslagjaren 2016 en 2017 van toepassing is, is de bijkomende vermindering gelijk aan 109% van het positieve verschil tussen:

enerzijds, het resterende bedrag aan inkomstenbelasting na toepassing van de gewone belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten (a), en

anderzijds, het verschil tussen het netto-inkomen van de belastingplichtige (b) en het referentie-inkomen (c).

Dus: [a-(b-c)] x 1,09.

Vanaf aanslagjaar 2018

Vanaf het aanslagjaar 2018 wordt de bijkomende vermindering voor de belastingplichtigen in kwestie bepaald door het positieve verschil te berekenen tussen (wijziging art. 154, § 3/1, eerste lid, WIB 1992 door art. 10, wet van 22 oktober 2017):

enerzijds, het resterende bedrag aan inkomstenbelasting na toepassing van de gewone vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten, en,

anderzijds, 90% van het verschil tussen het netto-inkomen en het referentie-inkomen

Dus: a-[(b-c) x 90%].

Op deze manier wordt het bedrag aan belasting Staat dat nog verschuldigd is na toepassing van de bijkomende belastingvermindering, teruggebracht tot maximum 90% van het verschil tussen het netto-inkomen en het referentie-inkomen.

In de veronderstelling dat de gewestelijke opcentiemen niet meer bedragen dan de autonomiefactor, zal het netto-inkomen na belastingen niet dalen door een verhoging van het netto-inkomen vóór belastingen, zolang de gemeentelijke opcentiemen niet meer dan 11,1% bedragen (90% van het verschil x 111,1% = 99,9% van het verschil).

Voorlopige regeling

In de memorie van toelichting bij de wet van 22 oktober 2017 staat verder nog dat deze wijziging slechts een voorlopige regeling is. De Regering is van plan om een grondigere oplossing voor de belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten uit te werken in het kader van de begroting 2018.

In werking

Deze maatregel is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2018.

Bron: Wet van 22 oktober 2017 houdende diverse fiscale bepalingen I, BS 10 november 2017 (DFB I) (art. 10 en art. 11).

Zie ook:
Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) (art. 154, § 3/1, eerste lid)