SZ-rechten blijven gevrijwaard binnen persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap

Het persoonlijk assistentiebudget werd op Vlaams niveau omgevormd naar een persoonsvolgende financiering. Nu wordt het RSZ-besluit retroactief afgestemd op deze nieuwe situatie om ervoor te zorgen dat ook in de toekomst de onderwerping en de rechten van betrokken personen gevrijwaard blijven.    

Persoonsgebonden financiering

Een Vlaams decreet van 25 april 2014 heeft de rechtstreekse financiering - via het 'persoonlijk assistentiebudget' - van persoonlijke assistenten voor personen met een handicap omgevormd naar een systeem van 'persoonsvolgende financiering'.

Dus moet het uitvoeringsbesluit bij de RSZ-wet afgestemd worden op deze situatie. Een uitbreiding dringt zich op. En dat is nu gebeurd dankzij een wijzigings-KB van 12 november 2017. Op die manier worden de federale regels afgestemd op de Vlaamse regels over de financiering van de zorg en de ondersteuning van personen met een handicap.

Men voorziet in de opbouw van socialezekerheidsrechten voor persoonlijke assistenten die gefinancierd worden via het 'persoonsvolgend budget'. Want de bestaande regels bepalen dat zorgverleners die niet met een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld, maar wel gefinancierd worden door middelen uit het 'persoonlijk assistentiebudget' onderworpen zijn aan de sociale zekerheid en op basis van deze financiering rechten opbouwen in de sociale zekerheid.

Verruiming

Concreet. Het toepassingsgebied van de RSZ-wet wordt verruimd tot:

(met ingang van 1 april 2016) de personen die, arbeid verrichten als persoonlijke assistent ten voordele van een familielid dat tot de tweede graad verwant is of van een persoon die deel uitmaakt van hun gezin en geniet van een ?persoonlijke-assistentiebudget?, en de personen die houder zijn van het ?persoonlijke-assistentiebudget? die hen bezoldigen;

(met ingang van 1 september 2016) de personen die, in het kader van het decreet van 25 april 2014 (persoonsvolgende financiering), arbeid verrichten op basis van een overeenkomst waarbij wordt voorzien in het verlenen van zorg en ondersteuning in een één-op-één-relatie met de persoon met een handicap of aan verschillende personen met een handicap die op hetzelfde adres wonen en tot hetzelfde gezin behoren, ten voordele van een familielid dat tot de tweede graad verwant is of van een persoon die deel uitmaakt van hun gezin en geniet van een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, en de personen die houder zijn van dit budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning die hen bezoldigen.

Uit een bijhorend advies van de Nationale Arbeidsraad (NAR) blijkt dat er geen invloed is op de manier waarop de statuten van de budgethouder en de persoonlijke assistent worden ingevuld, namelijk: de assistent verricht hulp voor de persoon met een handicap, waarbij de budgethouder de functie van werkgever zal opnemen. In die zin kan de persoonlijke assistent een werknemer, een zelfstandige, een uitzendkracht, of een dienstverlener van een voorziening of instelling zijn. Familieleden kunnen deze zorgtaak opnemen voor personen die deel uitmaken van het gezin of familieleden tot de tweede graad.

Tot slot. Uit het bijhorend advies van de Raad van State blijkt dat de hier doorgevoerde uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet beperkt is tot personen tussen welke geen arbeidsovereenkomst in de arbeidsrechtelijke zin kan worden gesloten, maar die wel arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst.

Bron: Koninklijk besluit van 12 november 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, BS 5 december 2017;