Grondwettelijk Hof vernietigt optrekken minimumleeftijd overlevingspensioen

Het Grondwettelijk hof vernietigt het optrekken van de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen. De verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd en het verstrengen van de voorwaarden om op vervroegd pensioen te kunnen, blijven overeind.    

Vakbondsfront

Dat blijkt uit een arrest van 30 november 2017 dat zorgt voor de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 10 augustus 2015 tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen, de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen.

Het vakbondsfront was naar het Grondwettelijk Hof gestapt om zich te verzetten tegen:

de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd van 65 naar 67 jaar;

het optrekken van de voorwaarden om vervroegd op pensioen te kunnen van 62 jaar en 40 jaar loopbaan, naar 63 jaar en 43 jaar loopbaan; en

de verhoging van de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen van 50 naar 55 jaar tussen 2025 en 2030.

De vakbonden wijzen onder andere op de sociale achteruitgang en op de discriminatie tussen man en vrouw die de bestreden wet zou veroorzaken. Maar enkel voor de verhoging van de minimumleeftijd voor overlevingspensioenen kregen ze gelijk. De andere maatregelen blijven dus overeind. Het Grondwettelijk Hof roept hier het algemeen belang in.

Grondwettelijk Hof

Concreet: het Grondwettelijk Hof vernietigt de artikelen 9, 10 en 21 van de wet van 10 augustus 2015, in zoverre zij de leeftijd voor het toekennen van een overlevingspensioen optrekken naar 55 jaar voor personen die zich in een precaire situatie bevinden.

Het overlevingspensioen biedt een inkomen aan de langstlevende echtgenoot die het gevaar zou lopen geen bestaansmiddelen meer te hebben na het overlijden van de andere echtgenoot.
Dit pensioen moet enkel waarborgen dat de langstlevende echtgenoot niet zonder middelen komt te staan. Het hof argumenteert dan ook dat het redelijk verantwoord is om de langstlevende echtgenoot er toe aan te zetten om een beroepsactiviteit te behouden wanneer hij nog de leeftijd heeft om te kunnen werken. Op die manier kan men inkomsten uit arbeid hebben en bijdragen tot het pensioensysteem.

Maar tegelijk stipt het hof aan dat het hier ook gaat om personen die niet of slechts gedeeltelijk actief zijn op de arbeidsmarkt en die, ook al krijgen ze een overgangsuitkering gedurende één of twee jaar, na die periode in een precaire situatie zullen kunnen terechtkomen.
De toekenning van een overlevingspensioen moet dit soort van situaties in principe voorkomen. Want indien ze geen werk vinden binnen de periode waarvoor zij de overgangsuitkering ontvangen, vallen ze terug op een werkloosheidsuitkering of een uitkering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, terwijl de gezinslast vóór het overlijden ook kon worden gedragen door het inkomen of het pensioen dat de overleden werknemer ontving.

Risico van armoede

'Door de leeftijd voor een overlevingspensioen op te trekken naar 55 jaar doet de maatregel aldus op onevenredige wijze afbreuk aan de personen die zich, wegens hun leeftijd, in een bijzonder kwetsbare situatie op de arbeidsmarkt bevinden of ten aanzien van de personen wier arbeidsongeschiktheid is erkend', zo klinkt het.

Volgens het Grondwettelijk Hof is er sprake van een risico van armoede dat niet redelijk verantwoord is. Dat risico ontstaat door die personen een overlevingspensioen te ontzeggen tot de leeftijd van 55 jaar. Zij zijn weduwe of weduwnaar en moeten dus kunnen instaan voor financiële lasten die voordien werden gedragen door het inkomen van de overleden echtgenoot. Het gegeven dat de bestreden maatregel pas in 2030 effect zal hebben, wijzigt niets aan die vaststelling, aldus het hof.

Bron: GwH 30 november 2017, nr. 135/2017