Werkbaar werk: uitvoeringsbesluit concretiseert interprofessionele opleidingsdoelstelling

De wet betreffende werkbaar en wendbaar werk heeft de bestaande (opgeschorte) interprofessionele opleidingsdoelstelling via een groeipad omgezet naar gemiddeld vijf dagen opleiding per voltijds equivalent per jaar. Die doelstelling wordt geconcretiseerd door een cao van een paritair (sub)comité, door een verlenging van een geldende cao of door het toekennen van opleidingsdagen op een individuele opleidingsrekening op het niveau van de onderneming.

De nieuwe regels zijn in werking getreden op 1 februari 2017. En nu zijn ook de bijhorende uitvoeringsbepalingen verschenen. Dat uitvoerings-KB treedt retroactief in werking op hetzelfde moment.

Individuele opleidingsrekening

De wet betreffende werkbaar en wendbaar werk heeft de 'individuele opleidingsrekening' geïntroduceerd. Die rekening bevat het opleidingskrediet waarover de werknemer beschikt.
Nu voegt men daar, na een advies van de Nationale Arbeidsraad (NAR), de minimale vermeldingen op die rekening aan toe, en omschrijft men hoe die rekening wordt georganiseerd en beheerd.

Bij de minimumvermeldingen staan onder andere de identiteit van de werknemer, zijn arbeidsregime en zijn opleidingskrediet.
Het formulier wordt bewaard in het persoonlijk dossier van de werknemer (personeelsdienst van de werkgever) en maakt er integraal deel van uit. Het kan bijgehouden worden op papier of elektronisch, zo blijkt uit het KB van 5 december 2017.

Verder gelden volgende organisatorische regels:

Wanneer de individuele opleidingsrekening voor de eerste keer wordt ingevoerd, stelt de werkgever alle betrokken werknemers daarvan in kennis.

De werkgever stelt elke nieuwe betrokken werknemer in kennis van het bestaan van een individuele opleidingsrekening binnen het bedrijf.

Telkens de werknemer een opleiding volgt, wordt het aantal gevolgde opleidingsdagen zo snel mogelijk in de individuele opleidingsrekening vermeld.

De werknemer heeft het recht om, op eenvoudige aanvraag, zijn opleidingsrekening op elk ogenblik te raadplegen en daarin wijzigingen aan te brengen, mits het akkoord van zijn werkgever.

Minstens één keer per jaar brengt de werkgever de betrokken werknemer op de hoogte van het saldo van het opleidingskrediet en herinnert hem aan zijn recht tot raadpleging van zijn individuele opleidingsrekening en zijn recht tot correctie van fouten.

Loonmassa

Ook de vaststelling van het aandeel van de loonmassa dat aan opleiding werd besteed, lag nog niet vast. En welke inspanningen inzake opleiding en welke opleidingen worden meegeteld, en de manier waarop dat gebeurt.

Concreet. Het nieuwe KB bepaalt dat het aandeel van de loonmassa dat in 2015 - 2016 besteed werd aan opleiding, wordt bepaald door het bevoegd paritair comité of paritair subcomité in een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst. Bovendien bepaalt die cao minimaal:

het gemiddeld aantal dagen besteed aan opleiding per voltijds equivalent, vastgesteld door het paritair comité of paritair subcomité, op basis van instrumenten die ze als relevant beschouwd. Dit aantal zal gebruikt worden als basis voor het groeipad;

de opleidingen die in aanmerking worden genomen om opleidingsinspanningen te bepalen waarbij minstens de formele en informele opleidingen en de opleidingen op de werkplek in de mate dat deze nog niet in de informele opleidingen zijn opgenomen.

Het gemiddeld aantal opleidingsdagen mag niet lager zijn dan het aantal voorzien in de periode 2015 - 2016.

Afwijkend regime

De wetgever heeft rekening gehouden met de specifieke situatie van kleine en middelgrote ondernemingen omdat die vaak niet dezelfde mogelijkheden hebben als het om opleidingen gaat.
Werkgevers die minder dan tien werknemers tewerkstellen, worden volledig uitgesloten van de toepassing van de nieuwe regels voor het investeren in opleiding. Gaat het om minimum tien maar minder dan twintig werknemers (uitgedrukt in voltijdse equivalenten), dan kan men afwijken bij KB.

Het nieuwe KB omschrijft dat afwijkend regime:

De werkgever bepaalt ? vóór 31 december van het eerste jaar van de tweejaarlijkse periode startend op 1 januari 2017, en vóór 30 september van het eerste jaar van elke daaropvolgende tweejaarlijkse periode ? op basis van de loonmassa van zijn onderneming, het gemiddeld aantal dagen waarover de werknemers beschikken, zonder dat het resultaat van de omzetting lager mag zijn dan het aantal opleidingsdagen, voorzien op het niveau van zijn onderneming in de periode 2015- 2016, met, gemiddeld, minimum één dag, per jaar, per voltijds equivalent.

Het aantal door de werkgever vastgestelde dagen zal van toepassing zijn voor de periode 2017 - 2018, en voor alle daaropvolgende periodes van twee jaar zonder afbreuk te doen aan het recht van de werkgever om een nieuw aantal opleidingsdagen te kunnen bepalen.

In geen geval mag het nieuwe aantal opleidingsdagen lager zijn dan het aantal toegekend voor de voorgaande tweejaarlijkse periode startend op 1 januari 2017.

De werkgever bepaalt het groeipad, met het oog op het bereiken, op interprofessioneel niveau, van de doelstelling van een gemiddelde van vijf dagen opleiding per voltijds equivalent per jaar.

Bij gebrek aan vaststelling van het aantal opleidingsdagen door de werkgever, beschikken de werknemers gemiddeld over minimum één dag opleiding per jaar per voltijds equivalent.

De opvolging en de mededeling aan de werknemer betreffende de individuele opleidingsrekening gebeurt op dezelfde manier.

Opleidingskrediet

Is er geen sprake van een cao, dan kan men de opleidingsinspanning concretiseren via het instellen en het toekennen van een opleidingskredietop de individuele opleidingsrekening.
De werknemer wordt over zijn opleidingskrediet in kennis gesteld op eenvoudige aanvraag. Minstens één keer per jaar brengt de werkgever de betrokken werknemer op de hoogte van het saldo en herinnert hem aan zijn recht tot raadpleging en zijn recht tot correctie van fouten.

Tot slot bevat het uitvoerings-KB een formule op basis waarvan men het aantal opleidingsdagen bepaalt voor de werknemer die niet voltijds werkt en/of wiens arbeidsovereenkomst niet het volledige kalenderjaar dekt, rekening houdende met de arbeidsovereenkomst van de werknemer. Namelijk: A x B x C, waarbij:

?A? staat voor het aantal opleidingsdagen toegekend op het niveau van de onderneming voor een voltijds tewerkgestelde werknemer;

?B? staat voor het arbeidsregime van de werknemer, in vergelijking met een voltijds regime;

?C? staat voor het aantal maanden gedeeld door twaalf gedurende dewelke de werknemer werd tewerkgesteld in de schoot van de onderneming.

En waarbij elke begonnen maand wordt beschouwd als een volledig gepresteerde maand.

Bron: Koninklijk besluit van 5 december 2017 houdende uitvoering van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, BS 18 december 2017