Codextrein: Verkavelingen en bpa's van maximum 15 jaar oud én ruimtelijk rendement als vergunningsfactoren

De vergunningverlenende overheid moet een omgevingsvergunning nog enkel weigeren als de vergunning ingaat tegen verkavelings- of bpa-voorschriften die maximum 15 jaar oud zijn. Terzelfder tijd kan de vergunningverlener het aspect 'ruimtelijk rendement' mee in rekening brengen bij het al of niet verlenen van een vergunning.    

Reden om vergunning te weigeren?

De vergunningverlenende overheid moet een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden onder meer weigeren als het gevraagde onverenigbaar is met de geldende stedenbouwkundige of verkavelingsvoorschriften, of met de goede ruimtelijke ordening.

De Codextrein nuanceert dit. De vergunningverlener moet de vergunning nog enkel weigeren als het gevraagde onverenigbaar is:

met stedenbouwkundige voorschriften, voor zover daarvan niet op geldige wijze wordt afgeweken;

met verkavelingsvoorschriften inzake wegenis en openbaar groen, zonder beperking in de tijd;

met andere verkavelingsvoorschriften, voor zover ?de verkaveling? niet ouder is dan 15 jaar op het ogenblik van de indiening van de vergunningsaanvraag, en voor zover van die voorschriften niet op een geldige wijze wordt afgeweken; en

met een goede ruimtelijke ordening.

Merk op dat de decreetgever het voortaan heeft over 'verkavelingen'. Dat blijkt een verkorte benaming te zijn voor 'verkavelingsvergunningen en omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden'.

De ingeperkte weigeringsgrond houdt in dat de vergunningverlener voortaan kán rekening houden met (verouderde) verkavelingsvoorschriften van meer dan 15 jaar oud, maar dat niet langer móet.

De termijn van 15 jaar wordt overigens berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg.
Als de verkavelingsvergunning melding maakt van verschillende fasen, wordt de termijn per fase berekend.

Verkavelingsvoorschriften die betrekking hebben op de openbare weg of het openbaar groen blijven echter altijd geldig. Als de gemeente (of een andere vergunningverlener) daar tegenin wil gaan, zal ze die voorschriften eerst moeten aanpassen.

Ruimtelijk rendement

Nog nieuw is dat het begrip ?goede ruimtelijke ordening? vanaf nu een aspect 'ruimtelijk rendement' omvat.
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zegt echter niet wat onder 'ruimtelijk rendement' moet verstaan worden. De term zou uit het nog goed te keuren Beleidsplan Ruimte Vlaanderen komen.

De vergunningverlener beoordeelt de overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening nog steeds op basis van 3 principes. Volgens één van die principes moet de vergunningverlener rekening houden met 'de in de omgeving bestaande toestand' en kan hij ook de beleidsmatig gewenste ontwikkelingen in rekening brengen. De Codextrein voegt daar 'de bijdrage van het gevraagde aan de verhoging van het ruimtelijke rendement' aan toe, 'voor zover:

de rendementsverhoging gebeurt met respect voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving; en

de rendementsverhoging in de betrokken omgeving verantwoord is.

Oude bpa's

Naar analogie met de oude verkavelingsvoorschriften kán een vergunningverlener bij het verlenen van een omgevingsvergunning ook afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg (bpa) dat bij het indienen van de aanvraag meer dan 15 jaar oud is.
In dat geval wordt er teruggevallen op de algemene bestemming uit het gewestplan, waarvan het bpa de uitvoering is.

Er kan echter niet afgeweken worden van de voorschriften die betrekking hebben op:

wegenis;

openbaar groen; én

erfgoedwaarden.

De mogelijkheid om af te wijken is bovendien beperkt tot de bpa-voorschriften die een aanvulling vormen op:

de volgende gebiedsaanduidingen uit de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen: woongebieden m.u.v. de woonparken; industriegebieden in de ruime zin; dienstverleningsgebieden; en gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; en

25 aanvullende voorschriften van de gewestplannen, gaande van ?gebieden voor service-residentie? tot ?gebieden voor kernontwikkeling?.

Het gaat hier ook telkens om 'harde' gewestplanbestemmingen. De decreetgever wil immers een verdichting realiseren op lokaties met harde bestemmingen. Vandaar dat ook niet kan worden afgeweken van oude bpa's die stedenbouwkundige voorschriften bevatten voor:

agrarisch gebied;

ruimtelijk kwetsbaar gebied;

recreatiegebied; of

(de toekomstige) watergevoelige openruimtegebieden.

De aanvragen om afwijking gaan overigens mee in openbaar onderzoek.

Van toepassing:

Vlaams gewest.

Vanaf 30 december 2017 (wettelijke regeling van inwerkingtreding 10 dagen na publicatie in BS) of vanaf 30 december 2017 voor de vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf die datum (art. 226).

Bron: Decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, BS 20 december 2017 (art. 58, art. 62, 2°-5°, art. 70-71, en art. 226 van de Codextrein).

Zie ook:

Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (art. 4.3.1, art. 4.4.1, en nieuw art. 4.4.9/1 van de VCRO).