Arbeidsongeschiktheidsbesluit zelfstandigen: aangepaste tijdvakken van arbeidsongeschiktheid

In het arbeidsongeschiktheidsbesluit voor zelfstandigen maakt men een onderscheid tussen verschillende tijdvakken van arbeidsongeschiktheid. Namelijk: de tijdvakken van primaire niet-vergoedbare ongeschiktheid, primaire vergoedbare ongeschiktheid en invaliditeit.

Met ingang van 1 januari 2018 omschrijft men die drie tijdvakken als volgt:

Het tijdvak van primaire niet-vergoedbare ongeschiktheid betreft de periode van veertien dagen die een aanvang neemt op de begindatum van de arbeidsongeschiktheid.

Het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid betreft de rest van het jaar dat een aanvang heeft genomen op de begindatum van de arbeidsongeschiktheid.

Het tijdvak van invaliditeit vangt aan wanneer het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid verstreken is.

De berekening van het jaar gebeurt van datum tot datum.

Een tijdvak van arbeidsongeschiktheid vangt aan wanneer de gerechtigde zijn staat van arbeidsongeschiktheid heeft laten vaststellen. Hiertoe moet hij een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid aan de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling zenden (of tegen bewijs van ontvangst afgeven). Dit getuigschrift maakt de verklaring van arbeidsongeschiktheid uit.

Die formaliteit moet voortaan vervuld worden binnen een termijn van 14 dagen (voordien 28 dagen) die begint te lopen de dag na die waarop de arbeidsongeschiktheid aanving. De verplichting geldt ook wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid wederoptreedt.

Bron: Koninklijk besluit van 17 december 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, BS 27 december 2017