Dertig dagen om rolrecht te betalen bij Raad van State

Wie een zaak wil inleiden voor de Raad van State krijgt voortaan in de meeste gevallen dertig dagen om de rolrechten te betalen. Zolang dat niet gebeurd is, kan de procedure niet starten. Samen met de rolrechten betalen de verzoekers nu ook een bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.

Rolrechten

De rolrechten bij de Raad van State moeten voortaan betaald worden binnen 30 dagen na ontvangst van het inschrijvingsformulier.

Vroeger moest dit een pak sneller - namelijk binnen acht dagen. Maar de Raad van State vond deze termijn veel te kort. Die korte periode belemmerde het recht van toegang tot de rechter. De Raad van State heeft de termijn van acht dagen dan ook vernietigd. Sindsdien gold er geen betalingstermijn meer en kon de betaling van het rolrecht gebeuren tot aan de sluiting van het debat.

Wie niet betaalt binnen 30 dagen krijgt van de hoofdgriffier voortaan te horen dat de kamer de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de partij binnen 15 dagen vraagt om gehoord te worden. Als de partij gehoord wil worden, wordt haar verzoek hierom (en niet het inleidende verzoekschrift) ook meegedeeld aan de verwerende partij en de partijen die al zijn tussengekomen. De kamer luistert naar de partijen en naar het advies van het auditoraat en beslist onmiddellijk daarna. De betrokken partij kan overmacht of onoverkomelijke dwaling inroepen om de sancties te vermijden. Volgt de kamer haar visie niet dan eindigt het daar: de vordering of het beroep wordt als niet verricht beschouwd of van de rol geschrapt.

Bij een vordering tot schorsing of tot het opleggen van voorlopige maatregelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid wordt het bewijs van de overschrijvingsopdracht of de storting - net als vroeger - gegeven op de terechtzitting. Als het bewijs niet geleverd is voor de sluiting van het debat wordt de vordering voortaan verworpen.

Bijdrage voor fonds juridische tweedelijnsbijstand

Wie een verzoeksschrift indient bij de Raad van State moet voortaan ook een bijdrage betalen die bestemd is voor het fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Die verplichting geldt voor de verzoekschriften die volgende zaken inleiden:

een eis tot herstelvergoeding voor buitengewone, morele of materiële schade;

een beroep tot nietigverklaring;

een cassatieberoep;

een verzoek tot schadevergoeding tot herstel;

een administratief kort geding;

een verzet, een derdenverzet of een beroep tot herziening.

Elke verzoekende partij moet de bijdrage betalen. De inning van de bijdrage verloopt op dezelfde manier als de inning van de rolrechten, met dezelfde termijnen en dezelfde sancties.

Voorlopige maatregelen

Voortaan wordt uitdrukkelijk bepaald dat rolrechten ook moeten betaald worden bij vorderingen tot het opleggen van voorlopige maatregelen. Net zoals dat al moest bij vorderingen tot schorsing.

Bevriezing procedure

Zolang het rolrecht en de bijdrage voor de juridische tweedelijnsbijstand niet zijn betaald, wordt de procedure bevroren. Het onderzoek van de zaak kan pas beginnen als de betaling is gebeurd. Pas na betaling krijgt de verwerende partij een kopie van het verzoekschrift toegestuurd.

Tussenkomst

Nadat het rolrecht voor de tussenkomst betaald is, doet de voorzitter van de met de tussenkomst belaste kamer of de aangewezen staatsraad onverwijld uitspraak over de ontvankelijkheid ervan.

Als de tussenkomst bij een beschikking toegelaten wordt, heeft de tussenkomende partij vanaf de kennisgeving hiervan zestig dagen om een memorie in te dienen. Bij een toegelaten tussenkomst in een procedure in kort geding zijn voor de tussenkomende partij de termijnen om een memorie in te dienen dezelfde als de termijnen voor de verwerende partij.

De Raad van State past die werkwijze al langer toe. Nu komt ze ook in het procedurereglement.

Kosten

Als een vordering tot schorsing niet vergezeld is of gevolgd wordt door een vordering tot nietigverklaring, dan wordt de schorsing opgeheven. Het arrest dat de schorsing opheft begroot de kosten en legt ze voortaan ten laste van de partij die geacht wordt in het ongelijk te zijn gesteld.

Tot nu waren die kosten altijd voor de verzoeker. Maar dit was niet altijd rechtvaardig. Bijvoorbeeld wanneer de verzoeker via een alleenstaande kortgedingprocedure zijn gelijk heeft gehaald en hierdoor een later beroep tot nietigverklaring doelloos is geworden. Of wanneer de verwerende partij na een schorsingsarrest de aangevochten beslissing al heeft ingetrokken.

Administratief kort geding

Ook de procedure voor het administratief kort geding wordt op enkele punten aangepast.

Het auditoraat ontvangt onmiddellijk een afschrift van de vordering tot schorsing of van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. De verwerende partij krijgt dit pas als het rolrecht en de bijdrage voor de juridische tweedelijnsbijstand zijn betaald.

De tussenkomende partij moet in principe ook een rolrecht betalen binnen dertig dagen na ontvangst van het overschrijvingsformulier. Doet ze dat niet, dan kan ze - anders dan in de gewone procedure - niet opgeroepen worden om gehoord worden over de reden van de niet-betaling. Dat strookt immers niet met de snelle behandeling. Maar ze kan wel de overmacht of de onoverkomelijke dwaling bewijzen op de terechtzitting. Doet ze dat niet, dan wordt de tussenkomst in het kortgedingarrest verworpen.

Bij uiterst dringende noodzakelijkheid is het niet nodig dat het rolrecht en de bijdrage voor de juridische tweedelijnsbijstand betaald zijn vóór het verzoekschrift wordt meegedeeld aan de andere partijen en derde belanghebbenden.

Tot slot nog dit. Bij de procedure in kort geding moeten voortaan van elk processtuk maar zes voor eensluidend verklaarde afschriften toegevoegd worden. Tot nu waren dat er negen.

Inwerkingtreding

Het nieuwe KB van 25 december 2017 treedt in werking op 1 maart 2018. Op dat moment treden ook de artikelen 2 tot 4 van de wet van 26 april 2017 over het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand in werking.

Bron: Koninklijk besluit van 25 december 2017 tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, BS 26 januari 2018

Zie ook:
Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State
Koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State
Wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (art. 4)
RvS 26 januari 2016, nr. 233.609