Veralgemeende correctionalisering misdaden ongrondwettig

De Potpourri II-wet van 5 februari 2016 heeft ervoor gezorgd dat alle misdaden correctionaliseerbaar zijn. Wat betekent dat alle misdaden, ook de heel ernstige, kunnen berecht worden door de correctionele rechtbank in plaats van door het hof van assisen. Het Grondwettelijk Hof heeft deze veralgemeende correctionalisering vernietigd in een arrest van eind vorig jaar.

Veralgemeende correctionalisering

Bepaalde misdaden waren al langer correctionaliseerbaar. Het ging om een beperkte lijst van misdaden. De Potpourri II-wet heeft die limitatieve lijst afgeschaft, waardoor sindsdien alle misdaden correctionaliseerbaar zijn als er verzachtende omstandigheden zijn. Zowel de raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling als het openbaar ministerie kunnen hierdoor voortaan elke misdaad correctionaliseren door verzachtende omstandigheden aan te nemen, ongeacht de maximale duur van de opsluiting die de wet op de misdaad stelt en ongeacht de gevolgen ervan voor het slachtoffer.

Die veralgemeende correctionalisering gaat gepaard met een verhoging van de straffen die de correctionele rechtbank kan opleggen. Gevangenisstraffen tot veertig jaar zijn mogelijk.

Ongrondwettig

Het Grondwettelijk Hof wijst erop dat alle personen die zich in dezelfde toestand bevinden het recht hebben om volgens dezelfde rechtsregels inzake bevoegdheid en rechtspleging berecht te worden (art. 13 GW). Het onderzoekt of een verschil in behandeling - wat het gevolg is van de Potpourri II-wet - redelijk te verantwoorden is. Artikel 13 waarborgt trouwens ook dat de bevoegdheid van de rechtscolleges voortvloeit uit 'de wet' en dat de rechtsonderhorige steeds op grond van objectieve criteria moet kunnen uitmaken welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van de geschillen waarbij hij betrokken is.

Volgens artikel 150 van de Grondwet moeten alle criminele zaken door het hof van assisen behandeld worden. Bij gebrek van een grondwettelijke definitie van 'criminele zaken' heeft de wetgever een ruime appreciatiebevoegdheid om de bevoegdheden van het hof van assisen en van de correctionele rechtbank af te bakenen. Maar die is niet onbegrensd. De wetgever moet volgens artikel 150 GW minstens de zwaarste misdrijven voorbehouden aan het hof van assisen. Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat door de Potpourri II-wet alle misdaden kunnen onttrokken worden aan de rechter die de Grondwet toewijst (in casu het hof van assisen), zelfs als daar een levenslange opsluiting op staat. Het Grondwettelijk Hof wijst ook op de omzendbrief van het College van procureurs-generaal. Daaruit blijkt dat het openbaar ministerie de verwijzing naar het hof van assisen niet meer zal vorderen voor misdaden waarop de wet geen levenslange opsluiting stelt. En zelfs voor misdaden waarop de wet een levenslange opsluiting stelt, zal het OM de correctionalisering vorderen, behalve indien er geen verzachtende omstandigheden zijn. Volgens de omzendbrief moet het OM trouwens enkel die gevallen motiveren waarin het een misdaad wil laten berechten door het hof van assisen, niet wanneer het de berechting wil overlaten aan de correctionele rechtbank.

Volgens het Grondewettelijk Hof beschikken de onderzoeksgerechten en het OM enkel over het criterium ?verzachtende omstandigheden? om te bepalen of een misdaad berecht moet worden door het hof van assisen of door de correctionele rechtbank. Ook vóór de hervorming werd dit criterium gehanteerd om zaken aan het hof van assisen te onttrekken. Maar de correctionele rechtbank moest toen - na de correctionalisering - steeds een lagere vrijheidsberovende straf uitspreken dan de straf die de beklaagde voor het assisenhof riskeerde. Door de Potpourri II-wet kunnen de correctionele rechtbanken echter voor de zwaarste categorieën van misdrijven straffen uitspreken die nauwelijks lager liggen dan de maximale opsluitingsduur die de beschuldigde voor het hof van assisen riskeert. Bovendien is het zelfs helemaal niet zeker dat de correctionalisering - wat de strafmaat betreft - in het voordeel van de betrokkene is. De maximale duur van de door de correctionele rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de drie zwaarste categorieën gecorrectionaliseerde misdaden is immers hoger dan de minimale duur van de opsluiting die het hof van aissisen kan opleggen.

Het Hof vindt dan ook dat het criterium 'verzachtende omstandigheden' gedenatureerd wordt, aangezien het sinds de Potpourri II-wet vooral gebruikt wordt om de bevoegdheid van de rechtscolleges te bepalen, terwijl de correctionalisering amper gevolgen heeft voor de duur van de vrijheidsberovende straf. De verzachtende omstandigheden hebben met andere woorden amper een invloed op de strafmaat, terwijl dat toch oorspronkelijk wel de bedoeling was.

Vernietiging

Het Hof concludeert dan ook dat de bestreden regels niet verzekeren dat de personen die zich in dezelfde toestand bevinden, volgens dezelfde regels op het vlak van bevoegdheid en rechtspleging worden berecht. Het vernietigt daarom de artikelen 6 en 121 van de Potpourri II-wet (wijziging artikel 25 Strafwetboek en artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden). Aangezien een pak andere artikelen van de Potpourri II-wet onlosmakelijk met deze artikelen verbonden zijn, worden ook zij vernietigd.

Het Hof handhaaft wel de gevolgen van de vernietigde bepalingen ten aanzien van de beslissingen die op grond van die bepalingen zijn genomen vóór 12 januari 2018, dag waarop het arrest in het Staatsblad is bekendgemaakt.

Bron: Arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017, BS 12 januari 2018

Zie ook:
Wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden (art. 2)
Strafwetboek (art. 25)