Fiscus houdt vanaf aj. 2018 slechts gedeeltelijk rekening met 'uitkeringen aan wezen' om te bepalen of een kind ten laste is

De fiscus houdt vanaf het aanslagjaar 2018 nog slechts in bepaalde mate rekening met ?overlevingspensioenen toegekend aan wezen in de publieke sector en de wezenrenten die zijn toegekend aan kinderen? om te beoordelen of een kind nog fiscaal ten laste is.

Deze pensioenen en renten komen niet in aanmerking voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen tot beloop van 1.800 euro per jaar (geïndexeerd bedrag aj. 2018: 3.200 euro).

Bij de beoordeling of dit grensbedrag al dan niet overschreden wordt, moet wel nog altijd rekening gehouden worden met de onderhoudsuitkeringen die een belastingplichtige voor kinderen ontvangt (art. 90, eerste lid, 3°, WIB 1992). Het grensbedrag van 1.800 euro gold al voor deze onderhoudsuitkeringen.

Maar vanaf het aanslagjaar 2018 geldt de grens van 1.800 euro per jaar (geïndexeerd bedrag aj. 2018: 3.200 euro) globaal voor beide categorieën van bestaansmiddelen samen (onderhoudsuitkeringen én overlevingspensioenen en wezenrenten) (wijziging art. 143, 6°, WIB 1992; art. 2, wet van 6 maart 2018).

In werking

Deze wet van 6 maart 2018 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2018.
Ze voegt deze nieuwe regeling toe aan het WIB 1992.

Bron: Wet van 6 maart 2018 tot wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wat de bestaansmiddelen van wezen betreft, BS 15 maart 2018.

Zie ook:
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) (art. 90, eerste lid, 3° en art. 143, 6°)