Sociale domiciliefraude: Grondwettelijk Hof vernietigt materiële vergissing in wetgeving ('push'-systeem)

Het Grondwettelijk Hof heeft een beroep tot gedeeltelijke vernietiging van een wet van 13 mei 2016 beoordeeld in een arrest van 15 maart 2018. De vzw 'Ligue des Droits de l'Homme' verzet zich tegen het systematisch doorzenden naar de Kruispuntbank van de sociale zekerheid (KSZ) van bepaalde verbruiksgegevens van nutsbedrijven en distributienetbeheerders in de strijd tegen de sociale fraude. Maar uiteindelijk beperkt het hof zich na een uitgebreide analyse tot het vernietigen van een materiële vergissing in de wettekst.

Met de bestreden maatregel wil de wetgever via datamining en datamatching het misbruik van fictieve adressen door de gerechtigden van sociale prestaties (sociale domiciliefraude) aanpakken:

Vóór de programmawet (I) van 29 maart 2012 kon men de gerechtigden van sociale prestaties bij een controle verzoeken om hun verbruiksgegevens (water, gas en elektriciteit) voor te leggen.

Die programmawet heeft de wettelijke mogelijkheid gecreëerd voor de sociale inspectie om verbruiksgegevens bij nutsbedrijven of distributienetbeheerders op te vragen (?pull?-systeem).

De (gedeeltelijk) bestreden wet van 13 mei 2016 heeft dit ?pull?-systeem vervangen door een ?push?-systeem en voorziet in nieuwe mogelijkheden op het vlak van datamining in de strijd tegen sociale domiciliefraude.

De verzoekende partij focust vooral op de bestaanbaarheid van diverse aspecten van het 'push'-systeem en de vooropgestelde datamining met het recht op eerbiediging van het privéleven. Daarom vordert men de vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4 van de bestreden wet. Er zou geen of een onvoldoende precieze wettelijke grondslag zijn voor de door de wetgever beoogde inmenging.

Het Grondwettelijk Hof heeft alle argumenten zorgvuldig bekeken en geoordeeld dat ze niet gegrond zijn. Zo stelt het hof onder andere dat de inmenging berust op een wettelijke grondslag, zodat eenieder op voldoende precieze wijze de omstandigheden en de voorwaarden betreffende de verwerking van zijn persoonsgegevens kan kennen.

Toch vernietigt het Grondwettelijk Hof in de paragrafen 2 en 3 van artikel 101/1 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 13 mei 2016, de woorden 'in het kader van artikel 101, §1', respectievelijk 'in artikel 101, §1, bedoelde'.
Rekening houdend met de bewoordingen van het bestreden artikel 3, in het bijzonder de verwijzing naar 'gecodeerde' en 'gedecodeerde' gegevens, en met de wil van de wetgever om zich te inspireren op de regeling voor de verwerking van persoonsgegevens door de FOD Financiën, argumenteert het hof dat de verwijzing naar artikel 101 klaarblijkelijk een materiële vergissing is.

Het Grondwettelijk Hof vernietigt deze passages. Voor het overige wordt het beroep verworpen, onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in een van de overwegingen - B.38.2, laatste alinea: 'Indien evenwel de noden van een onderzoek het niet meer rechtvaardigen, is het zonder redelijke verantwoording de betrokkene de rechtstreekse toegang tot en de controle van zijn persoonsgegevens te ontzeggen'.

Bron: GwH 15 maart 2018, nr. 29/2018