Focus op fiscale bepalingen uit de ?Wet over de versterking van de economische groei en de sociale cohesie?

In het Belgisch Staatsblad van 30 maart 2018 verscheen de 'wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie'.

Op enkele technische wijzigingen na, herneemt deze wet vrijwel alle maatregelen uit het 'relanceplan 2017' van de Regering. Dit met uitzondering van het hoofdstuk over het 500 euro onbelast bijverdienen, waartegen de Franse Gemeenschapscommissie een belangenconflict heeft ingeroepen.
Ook de maatregelen die op het vlak van inkomstenbelastingen te maken hebben met de 'hervorming van de vennootschapsbelasting' maakten oorspronkelijk deel uit van deze wet. Maar de Regering lichtte dit onderdeel eruit en stopte het in de 'wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting', die al eind december 2017 in het Staatsblad verscheen.

In de 'wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie' (afgekort: 'economischegroeiwet') komen nog heel wat sterk uiteenlopende onderwerpen aan bod. Daarbij komt ook nog dat de inwerkingtreding van al deze maatregelen door mekaar loopt.

Hierna vindt u een kort overzicht van de fiscale maatregelen uit de economischegroeiwet.

Belastingvermindering voor startende ondernemingen

Wie instapt in het kapitaal van een startende vennootschap (rechtstreeks of via een crowdfundingplatform), of in dat van een openbaar startersfonds of een private startersprivak, kan genieten van een belastingvermindering. Ook wie via een crowdfundingplatform inschrijft op nieuwe beleggingsinstrumenten die zijn uitgegeven door een financieringsvehikel, dat op zijn beurt investeert in aandelen van startende vennootschappen, kan een belastingvermindering krijgen (art. 145(26), WIB 1992).
Die belastingvermindering bedraagt 30% voor wie investeert in een kleine vennootschap en 45% voor wie investeert in een microvennootschap. Ook particulieren die instappen via een erkend startersfonds kunnen van deze vermindering genieten. De belastingvermindering wordt slechts toegekend tot een aandelenparticipatie van 100.000 euro per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk.

De economischegroeiwet heeft de voorwaarden voor het verkrijgen van deze belastingvermindering aangepast.
Hierna stippen we enkele van deze voorwaarden aan.
Zo kan de vennootschap nu toch van de belastingvermindering genieten als zij een kapitaalvermindering heeft doorgevoerd ?ter aanzuivering van een geleden verlies of om een reserve te vormen tot dekking van een voorzienbaar verlies?.
De uitsluiting van inbrengen door een bedrijfsleider van de vennootschap geldt nu alleen nog voor wie op het ogenblik van de inbreng bedrijfsleider is. De inbrenger mag nadien bedrijfsleider worden, op voorwaarde dat hij hiervoor geen vergoeding krijgt.
Ook de uitsluiting van inbrengen door een vaste vertegenwoordiger van een andere vennootschap/bestuurder geldt enkel nog als men op het ogenblik van de inbreng nog vaste vertegenwoordiger is.

In werking: vanaf aanslagjaar 2019.
(art. 28 en art. 39, economischegroeiwet)

Groeibedrijven

De economischegroeiwet voert vanaf het aanslagjaar 2019 een belastingvermindering in voor wie nieuwe aandelen verwerft door een inbreng van geld in een groeibedrijf, al dan niet via een door de FSMA of een gelijkaardige autoriteit in een andere EER-lidstaat erkend crowdfundingplatform (nieuw art. 145(27), WIB 1992).

De belastingvermindering wordt verleend als aan een aantal voorwaarden is voldaan met betrekking tot onder meer het tijdstip van de verwerving van de nieuwe aandelen en de vennootschap waarin wordt geïnvesteerd.
Zo moeten de aandelen worden verworven ter gelegenheid van een kapitaalverhoging die plaatsvindt in het vijfde, zesde, zevende, achtste, negende of tiende levensjaar van de vennootschap. In de loop van de eerste vier jaren wordt de verkrijging van aandelen al aangemoedigd door de belastingvermindering voor de verwerving van nieuwe aandelen van startende ondernemingen (zie hierboven).

Het gaat hier om kleine vennootschappen met minstens 10 voltijdse werknemers, en waarvan de jaaromzet over de laatste twee aanslagjaren, voorafgaand aan de volstorting van de aandelen, gemiddeld ten minste 10% per aanslagjaar gestegen is, of waarvan het aantal voltijdse werknemers met gemiddeld ten minste 10% per aanslagjaar gestegen is. De analyse van die criteria moet gebeuren op basis van de jaarrekeningen van de vennootschap.
Daarnaast zijn er nog heel wat bijkomende voorwaarden waaraan de vennootschappen moeten voldoen.

De belastingvermindering is hier gelijk aan 25% van het in aanmerking te nemen bedrag, na aftrek van bepaalde vergoedingen en eventuele andere verbonden kosten.
Ook hier wordt de belastingvermindering slechts toegekend tot een aandelenparticipatie van 100.000 euro per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk.
Opgelet! Deze grens van 100.000 euro geldt globaal voor de twee belastingverminderingen samen (startende ondernemingen én groeibedrijven).

In werking: vanaf aanslagjaar 2019.
(art. 29?30 en art. 39, economischegroeiwet)

Private privaks

Sinds de invoering van het statuut van de private privak in 2003 zijn er maar een beperkt aantal private privaks opgericht. Om van de private privak een echt succesverhaal te maken, brengt de economischegroeiwet nu een aantal gerichte wijzigingen aan in de AICB-wet en in het WIB 1992.

AICB-wet
De bestaande regel dat een private privak kan worden opgericht voor een maximale duur van 12 jaar wordt behouden. Naar analogie met de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen (GVBF), kan de duur van de private privak nu ook verlengd worden.
Om te vermijden dat een kleine minderheid van aandeelhouders of vennoten een besluit tot verlenging van de duur zou kunnen blokkeren, bepaalt de economischegroeiwet dat de duur kan worden verlengd met een meerderheid van 90% van de geldig uitgebrachte stemmen. Daarnaast moeten de stemmen die akkoord gaan met de verlenging van de duur ten minste 50% van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen opdat deze wordt aangenomen.

De private privak behoudt zijn statuut van private privak tot en met de afsluiting van zijn vereffening.

Een private privak kan al opgericht zijn vooraleer hij zijn aanvraag om omschrijving op de lijst van de private privaks bij de FOD Financiën indient, maar mag nog geen beleggingen als bedoeld in artikel 183, eerste lid, 5° van de AICB-wet hebben gedaan.

WIB 1992
Onder bepaalde voorwaarden wordt er een belastingvermindering verleend voor de minderwaarden op aandelen van een vanaf 1 januari 2018 opgerichte private privak (als bedoeld in art. 298, AICB-wet) die de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk heeft geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van die private privaks (nieuw art. 145(26/1), WIB 1992; art. 48, economische groeiwet).
De minderwaarden komen voor de belastingvermindering in aanmerking tot een bedrag van 25.000 euro per belastbaar tijdperk. Dit bedrag wordt niet geïndexeerd. De belastingvermindering is gelijk aan 25% van de minderwaarden. De Koning bepaalt hoe bewijs wordt geleverd dat de minderwaarden verliezen voldoen aan de wettelijke voorwaarden.

Om te voorkomen dat een investering in een vennootschap die gebruik kan maken van het VVPR-stelsel bij de investeerder verschillend wordt belast naargelang hij rechtstreeks of onrechtstreeks via een private privak investeert, voert de economischegroeiwet een afwijkende aanslagvoet van 15% en 20% in voor de door een private privak uitgekeerde dividenden, voor zover en in de mate dat deze voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om tegen het RV-tarief van 15% of 20% van toepassing bij het VVPR-stelsel belast te worden.

De economische groeiwet heeft ook de regels over de beleggingen aangepast die de private privaks mogen doen opdat hun aandelen in aanmerking zouden komen voor de vrijstelling van de daarop gerealiseerde meerwaarden.

In werking: vanaf aanslagjaar 2019; de RV-tarieven zijn van toepassing op de inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2018.
(art. 56-58, economischegroeiwet)

Forfaitaire beroepskosten

Artikel 51 van het WIB 1992 stelt de forfaitaire kosten vast voor belastingplichtigen die bezoldigingen als werknemer, als bedrijfsleider of als meewerkende echtgenoot, of baten ontvangen. Deze belastingplichtigen moeten dan hun werkelijke kosten niet bewijzen: de belastingadministratie stelt hen een forfaitaire raming van hun beroepskosten ter beschikking. Belastingplichtigen die winst behalen kunnen tot nog toe geen gebruik maken van zo'n forfait. Ze zijn verplicht om hun werkelijke kosten te bewijzen.

De economischegroeiwet voert nu een kostenforfait in voor winst dat vergelijkbaar is met het kostenforfait dat geldt voor werknemers vanaf 1 januari 2018: een uniform tarief van 30% met een maximum van 2.950 euro (basisbedrag; geïndexeerd bedrag aj. 2019: 4.720 euro). Daardoor zijn belastingplichtigen die winst behalen, niet langer verplicht om hun werkelijke kosten te bewijzen.

Genieters van winsten die op forfaitaire grondslagen worden belast, zijn uitgesloten van het forfait. Dat geldt ook voor hun meewerkende echtgenoot voor het aandeel dat hij uit dergelijke forfaitair vastgestelde inkomsten verkrijgt.

In werking: 1 januari 2018; van toepassing vanaf aanslagjaar 2019.
(art. 56-58, economischegroeiwet)

Pensioensparen (derde pijler)

Naast de bestaande regeling voor het pensioensparen waarbij het maximumbedrag 625 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2019: 960 euro) bedraagt, voert de economischegroeiwet een tweede regeling in waarbij de belastingplichtige de mogelijkheid krijgt om tot 800 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2019: 1.230 euro) per jaar te storten.

Voor de belastingplichtigen die meer dan 625 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2019: 960 euro) betalingen doen voor het pensioensparen, zal de belastingvermindering echter niet meer worden verleend tegen het tarief van 30%, maar tegen het lagere tarief van 25%.
Dit kan echter enkel indien de belastingplichtige zijn definitieve keuze meedeelt aan de instellingen en ondernemingen bedoeld in artikel 145(15) van het WIB 1992.
De keuze voor dit nieuwe stelsel is onherroepelijk en uitsluitend geldig voor het lopende belastbare tijdperk.
Indien de belastingplichtige niet expliciet en voorafgaandelijk zijn akkoord heeft gegeven, moet de financiële instelling de gespaarde bedragen boven 960 euro (geïndexeerd bedrag aj. 2019) kosteloos terugstorten aan de belastingplichtige.

In werking: vanaf aanslagjaar 2019.
(art. 59-64, economischegroeiwet)

Voordelen voor alleenstaande ouders met een laag inkomen

De Regering voert vanaf het aanslagjaar 2018 een bijkomende toeslag op de belastingvrije som in voor een alleenstaande ouder/belastingplichtige met een laag belastbaar inkomen van minder dan 10.700 euro (nog te indexeren basisbedrag). Bovendien moeten de netto-beroepsinkomsten van de belastingplichtige minstens gelijk zijn aan 1.800 euro, waarbij geen rekening wordt gehouden met de werkloosheidsuitkeringen, pensioenen en afzonderlijk belastbare inkomsten.
En er mag geen andere persoon dan de kinderen, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad van de belastingplichtige, en de personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest, deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar (wijziging art. 133, WIB 1992; art. 65, economischegroeiwet).

De bijkomende toeslag is gelijk aan:

wanneer het belastbare inkomen van de belastingplichtige 8.445 euro bedraagt of minder: 565 euro;

wanneer het belastbaar inkomen van de belastingplichtige meer bedraagt dan 8.445 euro: 565 euro, vermenigvuldigd met een breuk met als teller het verschil tussen 10.700 euro en het belastbare inkomen en met als noemer het verschil tussen 10.700 euro en 8.445 euro.

Bovenstaande bedragen zijn basisbedragen (nog te indexeren).

Om in aanmerking te komen voor deze maatregel, zal de belastingplichtige een vak moeten aankruisen in de aangifte in de personenbelasting (of in de BNI) waarmee hij/zij aangeeft op 1 januari van het aanslagjaar niet samen te wonen met een andere belastingplichtige dan zijn/haar kinderen en ouders in ruime zin, zijn broers of zussen, of zijn 'pleegouders'.

Om te verzekeren dat de doelgroep ook effectief van de maatregel geniet, voorziet de wet om het niet genoten voordeel om te zetten in een verrekenbaar en terugbetaalbaar belastingkrediet (wijziging art. 134, § 3, WIB 1992; art. 66, economischegroeiwet).

Een alleenstaande ouder/belastingplichtige met een laag belastbaar inkomen, die de bijkomende toeslag genieten, hebben ook recht op een bijkomende belastingvermindering voor de kosten voor kinderoppas (wijziging art. 145(35), WIB 1992; art. 67, economische groeiwet).
De belastingvermindering bedraagt 75% (belastingvermindering van 45% + 30 procentpunten). Bedraagt het belastbaar inkomen van de alleenstaande ouder tussen de 8.445 euro en 10.700 euro (nog te indexeren basisbedrag), dan voorziet de wet in een degressieve afbouw van de bijkomende belastingvermindering.

In werking: vanaf aanslagjaar 2018.
(art. 65-66 en art. 67-71, economischegroeiwet)

Afzonderlijke belasting van bepaalde vergoedingen

Bezoldigingen van werknemers en pensioenen waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van een openbare overheid of wegens het bestaan van een geschil slechts heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben, zijn belastbaar tegen de gemiddelde aanslagvoet van het laatste vorige jaar met een normale beroepswerkzaamheid (art. 171, 5°, b, WIB 1992).

Het Grondwettelijk Hof heeft echter geoordeeld dat deze regel het gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre hij niet van toepassing is op vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van andere beroepsinkomsten dan bezoldigingen van werknemers waarvan de vaststelling door toedoen van een openbare overheid of wegens het bestaan van een geschil heeft plaatsgehad na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben (arresten 36/2005 van 16 februari 2005, 7/2015 van 22 januari 2015 en 82/2015 van 28 mei 2015).

Om tegemoet te komen aan de uitspraken van het Grondwettelijk Hof, breidt de economischegroeiwet het toepassingsgebied van deze regeling uit tot vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van winst, baten en bezoldigingen van bedrijfsleiders.

In werking: deze maatregel treedt in werking op 1 mei 2018 en is van toepassing op de vergoedingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018, met uitzondering van de vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of baten die reeds vóór 1 januari 2018 werden vastgesteld of vermoed en van de vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of baten die vanaf 1 januari 2018 werden vastgesteld of vermoed en verbonden zijn aan een belastbaar tijdperk dat vóór 1 mei 2018 wordt afgesloten.
(art. 72-73, economischegroeiwet)

Vrijstelling van doorstorting van BV voor ploegenarbeid

Werkgevers die werknemers tewerkstellen die nacht- of ploegenarbeid verrichten, en die een ploegenpremie betalen, mogen momenteel 22,8% van de bedrijfsvoorheffing (BV) die ze inhouden op de lonen van deze werknemers voor zichzelf houden (art. 275(5), WIB 1992). Ze moeten dit bedrag dus niet doorstorten naar de Schatkist.

De economischegroeiwet herformuleert § 1, eerste lid van artikel 275(5) van het WIB 1992 zodat ondernemingen ten volle gebruik kunnen maken van de vrijstelling van doorstorting door de 'individuele benadering' te doorbreken, nl. voor zover in hoofde van een andere werknemer die bezoldigingen heeft die in aanmerking komen voor deze vrijstelling van doorstorting, nog BV met betrekking tot die bezoldigingen over is.
Het is dus de bedoeling dat de vrijstelling niet meer wordt berekend op het niveau van de individuele werknemer, maar wel op het niveau van de groep van werknemers die in aanmerking komen voor de vrijstelling. Het vrijstellingspercentage wordt dus voortaan toegepast op 'het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de werknemers op wie deze vrijstelling van toepassing is'.

De economischegroeiwet breidt ook het begrip ?ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht? uit tot ?ondernemingen die met 'ploegen' eigenlijk of oneigenlijk werk in onroerende staat verrichten, zoals bedoeld artikel 20, § 2 van het BTW-KB nr. 1?.
Het gaat om alle werken in onroerende staat: dit zijn alle werken die betrekking hebben op het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed alsmede elke handeling die zowel erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt (nieuw art. 275(5), § 5, WIB 1992; art. 74, economischegroeiwet).

Er is voor deze ondernemingen sprake van een 'ploeg' als minstens twee personen hetzelfde of complementair werk doen zowel qua inhoud als qua omvang.
De vrijstelling van bedrijfsvoorheffing geldt enkel voor de belastbare bezoldigingen van de werknemers die in ploegverband werken in onroerende staat verrichten op locatie.
Voor deze ondernemingen wordt een bruto-uurloon van minstens 13,75 euro (nog te indexeren) gelijkgesteld met een ploegenpremie.
De vrijstelling van BV bedraagt voor hen 3% van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de betrokken werknemers samen.
Deze 'belastbare bezoldigingen', ploegenpremies inbegrepen, zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2° van het WIB 1992 vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van de premies, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

De ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van ondernemingen bedoeld in het eerste lid, zijn voor wat betreft de vrijstelling van doorstorting van BV op de belastbare bezoldigingen van deze uitzendkrachten, gelijkgesteld met die ondernemingen.

Vanaf 1 januari 2019 bedraagt het vrijstellingspercentage (van 3%) 6%.
Vanaf 1 januari 2020 bedraagt het vrijstellingspercentage (van 6%) 18%.

In werking: deze maatregelen zijn van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend.
(art. 74-75, economischegroeiwet)

Bestrijding fiscale fraude

De economischegroeiwet bevat ook een aantal maatregelen die kunnen helpen in de strijd tegen de fiscale fraude.
Ze wijzigt daartoe het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Btw-Wetboek), het Wetboek der Successierechten (W.Succ), het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WIGB), het Wetboek diverse rechten en taksen (WDTR) en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (W.Reg.).

Onder meer volgende maatregelen komen aan bod:

de Belgische Staat kan via burgerlijke partijstelling of een aansprakelijkheidsvordering het integrale herstel nastreven van de schade die zij ondervindt omwille van niet-betaling van belastingen (BTW, inkomstenbelastingen,?);

elke strafrechtelijke daad van onderzoek of van vervolging voor fiscale misdrijven schorst de verjaring van de belastingen en de voorheffingen die erop betrekking hebben. De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van de strafrechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven (nieuwe § 3, art. 443ter, WIB 1992);

personen die als daders of als medeplichtigen van fiscale misdrijven (bedoeld in art. 449 tot 452, WIB 1992) werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de interesten verschuldigd door de belastingschuldige op wiens naam de belasting werd ingekohierd. Zij zijn eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de interesten wanneer de feiten die de misdrijven opleveren bewezen verklaard zijn, maar wanneer zij bv. het voordeel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen genieten, of wanneer zij genieten van de verjaring van de strafvordering (wijziging art. 458, WIB 1992);

de belastingadministratie mag wat een bepaalde belastingplichtige betreft, het ?register van de uiteindelijke begunstigden? (het Ultimate Beneficial Owner-register, afgekort UBO-register) dat de Algemene Administratie van de Thesaurie houdt en werd opgericht bij artikel 73 van de nieuwe antiwitwaswet van 18 september 2017, raadplegen teneinde de juiste heffing van de belasting te verzekeren. De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van deze raadpleging.

In werking: 9 april 2018, tien dagen na publicatie van de economischegroeiwet in het Belgisch Staatsblad.
(art. 79-98, economischegroeiwet)

Dienst voor Alimentatievorderingen

De 'Dienst voor Alimentatievorderingen' (DAVO) bij de FOD Financiën int en vordert het onderhoudsgeld en de achterstallen in ten laste van de onderhoudsplichtige. DAVO betaalt ook voorschotten op onderhoudsgelden verschuldigd aan kinderen.
De economische groeiwet breidt de diensten van DAVO uit en verbetert de invordering van de alimentatieschuldvorderingen.

Om aanspraak te maken op de tegemoetkoming van DAVO moet de onderhoudsgerechtigde beschikken over één van de drie volgende categorieën van uitvoerbare titels:

de uitvoerbare gerechtelijke beslissing;

de overeenkomst bedoeld in artikel 1288, 3° of 4° van het Gerechtelijk Wetboek, of

de uitvoerbare schikking bedoeld in de artikelen 731 tot 734 van het Gerechtelijk Wetboek.

Door een lacune in de wet bleken samenlevingscontracten en overeenkomsten gesloten tussen samenwonenden bij de notaris wanneer zij uit elkaar gaan, niet onder deze drie categorieën van uitvoerbare titels te vallen. In die gevallen hadden (ex-)samenwonenden geen andere optie dan het inschakelen van een gerechtsdeurwaarder en konden zij geen beroep doen op de tegemoetkoming van DAVO.

De economische groeiwet werkt deze discriminatie weg door de bovenstaande drie categorieën te vervangen door de algemene benaming ?uitvoerbare titel?.

Daarnaast maakt de economischegroeiwet het invorderingsproces van de alimentatieschuldvorderingen die onder de bevoegdheid van de 'Algemene Administratie van de Inning en de Invordering' vallen, eenvormig. Ze laat het aansluiten op het invorderingsproces van de andere niet-fiscale schuldvorderingen die ook onder de bevoegdheid van deze administratie vallen.

De economischegroeiwet regelt in een eerste fase de terugvordering ten laste van de onderhoudsgerechtigde.
Dit houdt in dat, in geval van onterecht uitbetaalde sommen aan de onderhoudsgerechtigde, het individueel dwangbevel, uitgevaardigd door de ontvanger en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een andere ambtenaar, wordt vervangen door een uitvoerbare titel - het bijzonder kohier - opgemaakt via een geautomatiseerd systeem.
Voor de invordering ten laste van de onderhoudsplichtige, blijft het dwangbevel (voorzien in art. 13, wet van 21 februari 2003) behouden.

Tot slot herneemt de economischegroeiwet volgende invorderingsmaatregelen, waarin ook de domaniale wet voorziet:

ze kent aan de ontvanger belast met de invordering van de alimentatieschuldvorderingen, specifieke vervolgings- of waarborgmaatregelen toe, nl. het elektronisch vereenvoudigd uitvoerend derdenbeslag en de wettelijke hypotheek van de Schatkist;

ze bepaalt de oorzaken van schorsing van de verjaringstermijnen voor de invordering van de alimentatieschuldvorderingen, en

ze verleent aan de ambtenaren belast met de invordering van de alimentatieschuldvorderingen onderzoeksbevoegdheden om de invordering van deze schuldvorderingen te verzekeren.

In werking: 9 april 2018; tien dagen na publicatie van de economischegroeiwet in het Belgisch Staatsblad.
(art. 99-137, economischegroeiwet)

Starterjobs

Werkgevers krijgen de mogelijkheid om het loon te verminderen (ten opzichte van de normaal geldende minimumlonen vastgelegd in cao's) van een nieuwe werknemer van minder dan 21 jaar en zonder werkervaring. Maar de werkgever is dan verplicht om elke maand bovenop het loon een forfaitaire toeslag te betalen. Deze toeslag zal vrijgesteld zijn van socialezekerheidsbijdragen én bedrijfsvoorheffing. Hij wordt voor de werknemer ook vrijgesteld van personenbelasting.
De werkgever mag de toeslag in mindering brengen van de het totaal bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat hij moet doorstorten naar de Schatkist. Eénmaal de toeslag in mindering gebracht, kan hij de toeslag niet meer aftrekken als beroepskost.

In werking: 1 juli 2018; van toepassing op de arbeidsovereenkomsten die vanaf 1 juli 2018 worden gesloten.
(art. 18-22, economischegroeiwet)

Bron: Wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie, BS 30 maart 2018.

Zie ook:
- Wetboek van de inkomstenbelastingen van 10 april 1992 (WIB 1992), BS 30 juli 1992.
- Wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën (DAVO-wet), BS 28 maart 2013.
- Wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, BS 27 januari 2000.
- Wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, BS 17 juni 2014 (AICB-wet)