Richtlijnen voor beoordeling verlies aan verdienvermogen bij personen met een handicap

Staatssecretaris voor Personen met een beperking, Zuhal Demir, heeft een omzendbrief gepubliceerd om de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming aan personen met een handicap vlotter te laten verlopen. De artsen van de FOD Sociale Zekerheid krijgen immers bijkomende richtlijnen voor de beoordeling van het verlies aan verdienvermogen.

Gelijke behandeling

De inkomensvervangende tegemoetkoming is een tegemoetkoming die bestemd is voor personen met een handicap die onvoldoende inkomen uit arbeid kunnen verwerven en die ook niet over voldoende andere inkomsten beschikken. Het wettelijk kader bestaat uit een wet van 27 februari 1987 met bijhorend uitvoeringsbesluit.

De omzendbrief benadrukt dat het essentieel is dat de toekenning bij alle evaluerende artsen zo uniform mogelijk gebeurt (gelijke behandeling van alle aanvragers). Ze moeten zich bij de beoordeling van aanvragen laten inspireren door de principes die vervat zijn in het VN-verdrag inzake de rechten voor personen met een handicap (inclusiebeginsel), zonder afbreuk te doen aan de individuele beoordeling van het specifieke dossier.

De inkomensvervangende tegemoetkoming omvat een 'medisch luik' (vaststelling van het verdienvermogen) en een 'administratief luik' (het niet over voldoende inkomsten beschikken).

Vermogen tot verdienen

De wet bepaalt dat de inkomensvervangende tegemoetkoming toegekend wordt:

aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is,

van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand, zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen. De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.

Om het vermogen tot verdienen vast te stellen, kijkt men dus ook naar de invloed van de psychische toestand van de aanvrager op het verdienvermogen. De evaluerende arts onderzoekt de concrete mogelijkheden om te functioneren op de algemene arbeidsmarkt, rekening houdend met de resterende mogelijkheden en met de noodzaak van aanpassingen aan de werkplek en/of de nood aan begeleiding en structuur.

Belangrijk. Het feit dat de persoon in kwestie - ondanks zijn of haar handicap - een inkomen uit arbeid kan verwerven, is op zich geen reden om een erkenning te weigeren. Uiteraard voor zover men voldoet aan de wettelijke voorwaarden. De inkomsten uit arbeid worden wel administratief in mindering gebracht:

Inspanningen die door personen met een handicap worden geleverd om via een re-integratietraject of een herscholing werk te vinden of een baan te behouden, betekenen geen weigering of verlies van de erkenning.

Het feit dat een persoon met een handicap werkt (al dan niet in een maatwerkbedrijf) is geen doorslaggevend argument om de erkenning van de vermindering van het verdienvermogen tot 1/3 of minder te weigeren. Het hebben van werk impliceert immers niet noodzakelijk dat de persoon een 2/3 verdienvermogen heeft, noch dat zijn of haar toekomstige kansen op de algemene arbeidsmarkt niet beperkt zouden zijn, zo klinkt het.

Bij wijzigende omstandigheden, moet men de situatie opnieuw evalueren. Indien een persoon met een handicap zijn of haar werk verliest, zal men de resterende mogelijkheden en de nood aan aanpassingen of begeleiding opnieuw onderzoeken. Of omgekeerd: wanneer door verbeterde arbeidsgeschiktheid (revalidatie, behandeling of genezing) het verdienvermogen boven 1/3 stijgt, zal de betrokkene niet langer voldoen aan de voorwaarden om de inkomensvervangende tegemoetkoming te krijgen.

Uit de tekst van de omzendbrief blijkt dat de tekst onmiddellijk uitwerking heeft. Dat is wellicht op 28 februari 2018.

Bron: Omzendbrief van 28 februari 2018 betreffende de beoordeling van het verlies aan verdienvermogen voor de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, BS 12 april 2018