Bijkomende toekenningsvoorwaarde voor inkomensvervangende tegemoetkoming (art. 23-24 economischegroeiwet)

Voortaan koppelt men een bijkomende toekenningsvoorwaarde aan de inkomensvervangende tegemoetkoming. De gerechtigden moeten gedurende tien jaar, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, een werkelijk verblijf in België hebben gehad.

Inkomensvervangend

De wet op de tegemoetkomingen aan personen met een handicap omschrijft drie tegemoetkomingen aan personen met een handicap: de inkomensvervangende tegemoetkoming, de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.

De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die:

ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is,

van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.

De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling, zo blijkt uit de wet.

Bijkomende voorwaarde

Deze bijstandsregeling is gekoppeld aan heel wat betaal- en toekenningsvoorwaarden. Voor wat betreft de toekenning, voorziet de reglementering nu al in de verplichting voor de gerechtigde om zijn hoofdverblijfplaats in België te hebben en in de verplichting om te behoren tot één van de categorieën van personen aan wie de inkomensvervangende tegemoetkoming kan worden toegekend.

Nu komt daar nog een toekenningsvoorwaarde bij: 'Voor de inkomensvervangende tegemoetkoming moet de persoon bovendien gedurende ten minste tien jaar, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, een werkelijk verblijf in België hebben gehad.' Bedoeling is om vereiste de band met België en zijn stelsel van sociale bijstand te versterken.

Het werkelijk verblijf wordt bepaald op basis van de informatie in het Rijksregister, met name of de gerechtigde gedurende een periode van tien jaar zijn hoofdverblijfplaats al dan niet in België had.

Gelijke behandeling

Uit de parlementaire stukken blijkt dat de Raad van State voorbehoud maakt met betrekking tot de verenigbaarheid van de maatregel met het beginsel van gelijke behandeling van burgers van de Europese Unie. Hij stelt dat het in voorkomend geval aan het Hof van Justitie van de Europese Unie toekomt om hierover uitsluitsel te geven.

In de memorie van toelichting stipt men volgende argumenten aan:

Men verwijst naar de conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie in de zaak ?Florea Gusa?. Deze conclusie heeft betrekking op een uitsluiting van Europese burgers. In de voorgestelde maatregel worden Belgen en Europese burgers op gelijke voet behandeld. Er is dus nog minder kans op een eventuele discriminatoire behandeling dan in de zaak ?Florea Gusa?, zo klinkt het.

In sommige andere Europese landen bestaat al een soortgelijke uitsluiting, en de Europese Commissie heeft het niet opportuun geacht een inbreukprocedure op te starten tegen deze landen.

Men stelt dat de Raad van State wel degelijk bevoegd is om zich uit te spreken in geval van discriminatie van niet-Belgen door de in te voeren maatregel. In dit geval heeft de Raad dit niet gedaan, mogelijks omdat geen argumenten werden gevonden die het bestaan van een dergelijke discriminatie zouden kunnen aantonen.

De maatregel betreft enkel de toekenningsvoorwaarden van de inkomensvervangende tegemoetkoming. Eens aan die voorwaarden wordt voldaan, wordt er geen enkele wijziging aangebracht. Niet op het niveau van de prestatie en ook niet op het niveau van de betalingsvoorwaarden.

De nieuwe maatregel zal enkel van toepassing zijn op nieuwe aanvragen.

Het Grondwettelijk Hof ziet in het feit dat een bepaalde groep personen geen recht zou hebben op de inkomensvervangende tegemoetkoming omwille van het niet voldoen aan de verblijfsvoorwaarde, geen schending van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. Want de betrokkenen kunnen nog altijd aanspraak maken op de maatschappelijke dienstverlening.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde al dat een duurzaam verblijf een pertinent criterium is om toegang te kunnen krijgen tot de niet-contributieve sociale bijstandsstelsels, zoals de inkomensvervangende tegemoetkoming.

De maatregel is ook bedoeld om de evolutie van de kosten van de inkomensvervangende tegemoetkoming te beheersen.

In werking

Dit onderdeel van de economischegroeiwet treedt in werking op 1 juli 2018 en is van toepassing op elke inkomensvervangende tegemoetkoming die vanaf deze datum wordt toegekend.

Wie daarvoor al een inkomensvervangende tegemoetkoming had, zal zijn recht niet verliezen omwille van deze nieuwe toekenningsvoorwaarden. Maar wie dat recht verliest, moet een nieuwe aanvraag indienen. Vanaf 1 juli 2018 wordt die nieuwe aanvraag dan beoordeeld volgens de nieuwe criteria.

Bron: Wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie, BS 30 maart 2018 (art. 23-24 economischegroeiwet)