Meer mogelijkheden om strafvordering uit te oefenen bij verlies van rechtspersoonlijkheid (art. 2 Verzamelwet Strafrecht en Strafvordering)

Via de Verzamelwet Strafrecht, Strafvordering en Gerechtelijk Recht van 4 mei 2018 wordt artikel 20, tweede lid van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering afgestemd op arrest 54/2017 van het Grondwettelijk Hof. Voortaan is voorzien dat de strafvordering in geval van verlies van de rechtspersoonlijkheid nog in 2 gevallen kan worden uitgeoefend zonder dat het bewijs moet worden geleverd dat de invereffeningstelling of de ontbinding tot doel had aan de vervolging te ontsnappen.

Naast het geval van de inverdenkingstelling op basis van artikel 61bis Sv. door de onderzoeksrechter, wordt ingeschreven dat dit mogelijk is indien de rechtspersoon vóór het verlies van de rechtspersoonlijkheid reeds door het onderzoeksgerecht werd verwezen dan wel rechtstreeks werd gedagvaard voor de strafrechter ten gronde. Het gaat in beide gevallen over een situatie waarbij de rechtspersoon voor het verlies van de rechtspersoonlijkheid formeel in kennis werd gesteld van het feit waarvoor hij werd vervolgd.

Arrest Grondwettelijk Hof

Begin mei is de Verzamelwet Strafrecht, Strafvordering en Gerechtelijk recht in het Belgisch Staatsblad verschenen. Belangrijke wijzigingen om tegemoet te komen aan een aantal recente arresten van het Grondwettelijk Hof. Zoals arrest 2017/54 van 11 mei 2017. Daarin worden een aantal rechtsvragen met betrekking tot artikel 20 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering beantwoord.

Verval strafvordering

Volgens artikel 20, eerste en tweede lid Voorafgaande Titel Sv. vervalt de strafvordering door de dood van de verdachte of door afsluiting van de vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening wanneer het om een rechtspersoon gaat. De strafvordering kan daarna nog worden uitgeoefend indien de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel hebben om aan de vervolging te ontsnappen of indien de rechtspersoon op basis van artikel 61bis Sv. door de onderzoeksrechter in verdenking is gesteld nog voor hij zijn rechtspersoonlijkheid had verloren.

Deze bepalingen zijn destijds ingevoerd om te beletten dat de strafvordering wordt verhinderd door vereffening of ontbinding wanneer ze wordt ingesteld nadat de rechtspersoon door een inverdenkingstelling met zekerheid kennis heeft gekregen van het feit dat hij zal worden vervolgd. Hetzelfde geldt wanneer de rechtspersoon, zonder door de onderzoeksrechter in verdenking te zijn gesteld, rechtstreeks werd gedagvaard voor hij zijn rechtspersoonlijkheid had verloren.

Schending

Uit de bepaling volgt echter dat alleen ten aanzien van rechtspersonen die formeel in verdenking zijn gesteld de strafvordering kan worden verder uitgeoefend zonder het bewijs van een ontsnappingsintentie te leveren. Een bepaling die bestaanbaar is met artikel 10 en 11 van de Grondwet voor zover ze een onderscheid invoert tussen de inverdenkinggestelde rechtspersoon en de rechtspersoon die vóór zijn invereffeningstelling of ontbinding het voorwerp heeft uitgemaakt van een nominatieve vordering tot gerechtelijk onderzoek of van een nominatieve klacht met burgerlijke partijstelling. Beide groepen zijn immers verschillend. Rechtspersonen die voor hun invereffeningstelling of ontbinding door de raadkamer zijn verwezen naar de correctionele rechtbank of rechtstreeks voor de strafrechter ten gronde zijn gedagvaard hebben altijd kennis van de lastens hen ingestelde strafvordering terwijl de nominatief geviseerde persoon dat niet noodzakelijk heeft.

Daarom is het niet redelijk verantwoord dat de strafvordering ten aanzien van de eerste categorie rechtspersonen enkel kan worden voortgezet als is aangetoond dat de invereffeningstelling of de ontbinding tot doel heeft aan de vervolging te ontsnappen, terwijl dat bewijs niet is vereist voor de voortzetting van de strafvordering ten aanzien van de rechtspersoon die vóór zijn invereffeningstelling of ontbinding in verdenking is gesteld. In die zin is artikel 20, tweede lid wel strijdig met het gelijkheidsbeginsel, oordeelde het Hof.

Aanpassing

De wetgever gaat hier nu op verder. In artikel 20 tweede lid Voorafgaande Titel Sv. wordt voorzien dat de strafvordering in geval van verlies van de rechtspersoonlijkheid nog in 2 gevallen kan worden uitgeoefend zonder dat het bewijs moet worden geleverd dat de invereffeningstelling of de ontbinding tot doel had aan de vervolging te ontsnappen. Naast het geval van de inverdenkingstelling op basis van artikel 61bis Sv. door de onderzoeksrechter, wordt ingeschreven dat dit mogelijk is indien de rechtspersoon voor het verlies van de rechtspersoonlijkheid reeds door het onderzoeksgerecht werd verwezen dan wel rechtstreeks werd gedagvaard voor de strafrechter ten gronde. Het gaat in beide gevallen over een situatie waarbij de rechtspersoon voor het verlies van de rechtspersoonlijkheid formeel in kennis werd gesteld van het feit waarvoor hij werd vervolgd.

12 mei 2018

Dit onderdeel van de Verzamelwet van 18 maart 2018 is van kracht sinds 12 mei, 10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Bron: Wet van 18 maart 2018 houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht, BS 2 mei 2018. (art. 2 Verzamelwet Strafrecht en Strafvordering)

Zie ook
GwH 11 mei 2017, nr. 54/2017.
Wetboek van Strafvordering.
Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.