Raadkamer en KI kunnen geen videoverhoor van aangehouden verdachte bevelen

De raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling (KI) kunnen niet langer bevelen dat de aangehouden inverdenkinggestelde moet verschijnen via videoconferentie. Het Grondwettelijk Hof vernietigt de regels hieromtrent. Wat betekent dat de inverdenkinggestelde in voorlopige hechtenis voortaan opnieuw zelf kan kiezen: ofwel verschijnt hij persoonlijk voor het onderzoeksgerecht, ofwel laat hij zich vertegenwoordigen door zijn advocaat.

Wanneer een verdachte door de onderzoeksrechter wordt aangehouden, verschijnt hij geregeld voor de raadkamer of - in hoger beroep - voor de KI om de voorlopige hechtenis te controleren. Hij verschijnt ook voor het onderzoeksgerecht voor de regeling van de rechtspleging. Vroeger verscheen de aangehouden verdachte ofwel persoonlijk of liet hij zich vertegenwoordigen door zijn advocaat. Maar omdat een persoonlijke verschijning heel wat kosten en soms ook veiligheidsrisico's met zich meebrengt, werd in 2016 beslist dat de raadkamer en de KI konden bevelen dat de aangehouden verdachte via videoconferentie moest verschijnen. Zonder dat die daar mee moest instemmen. Een regeling die in werking trad op 1 september 2017.

Die mogelijkheid wordt nu vernietigd. De onderzoeksgerechten kunnen niet langer een verschijning via videoconferentie van de aangehouden verdachte bevelen.

Het Hof vindt dat die regeling strijdig is met onder meer artikel 12 van de Grondwet. Dat stelt: 'Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft'. Door de raadkamer en de KI de bevoegdheid te geven om te beslissen dat een aangehouden verdachte in een videoconferentie te verschijnen, komen zij op het terrein van de 'vorm' van de vervolging.

De bestreden regeling vermeldt niet de redenen op grond waarvan de kamer of de KI de verschijning in een videoconferentie kan bevelen. Ze beslissen hierover geval per geval. Het kan zijn dat hun beslissing is ingegeven om grote kosten te vermijden of om de veiligheidsrisico's te verminderen - wat volgens de parlementaire werkzaamheden de doelstellingen van de wetgever zijn. Maar ze kunnen de videoconferentie ook eisen om andere redenen. Bovendien - aldus het Hof - is de hoge kostprijs van het vervoer van een gedetineerde - een van de redenen waarvoor de wetgever het videoverhoor heeft ingevoerd - op zich een onvoldoende reden om de verplichte verschijning via videoconferentie te verantwoorden.

Door niet duidelijk te regelen wanneer de onderzoeksgerechten wel of niet een videoconferentie kunnen bevelen en hen de volledige beoordelingsbevoegdheid te geven, wordt artikel 12 GW geschonden. Van een wettige én voorspelbare strafrechtspleging is immers geen sprake, aldus het Hof. De vereiste voorspelbaarheid waarborgt eenieder dat tegen hem enkel een opsporings- of gerechtelijk onderzoek of vervolging kan ingesteld worden volgens een bij de wet vastgelegde procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kennis kan nemen. En als men de raadkamer of KI volledig zelf kan laten beslissen of ze een videoconferentie oplegt of niet, is die zekerheid er niet. Vandaar dat het Grondwettelijk Hof besluit om de videoconfentieregeling volledig te vernietigen.

Bron: Wet van 29 januari 2016 betreffende het gebruik van videoconferentie voor de verschijning van inverdenkinggestelden in voorlopige hechtenis, BS 19 februari 2016

Bron: GwH 21 juni 2018, nr. 76/2018

Zie ook:
Sv. (art. 127, 135, 136bis, 235bis, 235ter)
Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis (art. 23 en 30)