Personen in beperkte detentie behouden hun recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen

De beslissing van de regering om personen die zich in beperkte detentie bevinden, net zoals personen die een uitgaansvergunning kregen of penitentiair verlof genieten, van hun recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering te beroven, schendt volgens de Raad van State het gelijkheidsbeginsel.

In toepassing van de ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994 heeft de regering begin 2016 beslist om personen die het voorwerp uitmaken van een maatregel van hechtenis of gevangenzetting in uitvoering van een strafrechtelijke veroordeling van hun recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering te beroven. Deze uitkering vormt immers een vervangingsinkomen en dient om deels het loon te compenseren dat een werknemer niet meer kan verwerven door zijn ongeschiktheid. Tijdens een periode van gevangenschap bestaat er evenwel geen recht op loon en is er ?derhalve geen sprake van een loonverlies dat door de ziekteverzekering ten laste zou moeten worden genomen?.

De regering heeft bovendien de toekenning van de uitkering geschorst voor geïnterneerden die zich occasioneel buiten de gevangenis bevinden wegens toepassing van een van de volgende drie strafuitvoeringsmodaliteiten: de uitgaansvergunning, het penitentiaire verlof en de beperkte detentie. En het is precies vanwege dit punt dat de Raad van State van oordeel is dat het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel werd geschonden. De Raad baseert zich daarbij op een beroep dat door de Ligue des droits de l?Homme (Liga voor Mensenrechten) werd ingesteld.

In tegenstelling tot de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof laat de maatregel van beperkte detentie de begunstigden immers toe om de strafinrichting elke dag voor een bepaalde duur te verlaten, zodat ze professionele, opleidings- of familiale belangen kunnen behartigen die hun aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen. Met deze maatregel wil men geïnterneerden dus eigenlijk toelaten om een beroepsactiviteit uit te oefenen. Deze interpretatie werd trouwens nog versterkt door de wet van 5?februari 2016, die de dagelijkse periode van afwezigheid van de geïnterneerde tot 16 uur heeft verlengd, juist omdat de oorspronkelijke periode van 12 uur te kort was voor geïnterneerden in beperkte detentie die werken of een opleiding volgen.

Aangezien geïnterneerden die een maatregel van beperkte detentie genieten de mogelijkheid hebben om te werken, worden onder hen de geïnterneerden die ongeschikt zijn om te werken van een mogelijk inkomen beroofd, en dit niet wegens hun detentie, maar wel vanwege hun ongeschiktheid. Ze bevinden zich dus in een andere situatie dan geïnterneerden die ongeschikt zijn om te werken en geen beperkte detentie genieten.

Aangezien de regering niet uitlegt waarom de identieke behandeling van deze twee categorieën van verschillende personen wettelijk en proportioneel is, stelt de Raad van State een schending van het gelijkheidsbeginsel vast en annuleert hij de schorsing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor geïnterneerden die een maatregel van beperkte detentie genieten.

Bron: Raad van State, arrest nr. 241.794 van 14 juni 2018.

Zie ook:
Koninklijk besluit van 19 januari 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, BS 2 februari 2016.